1.4 Beschrijving van het pensioenreglement 2016

De beschrijving van het pensioenreglement 2016 is hieronder uiteengezet.

Algemeen

PFZW hanteert de Nieuwe Flexibele Pensioenregeling (NFP). Deze regeling, in het pensioenreglement Regeling A genoemd, geldt voor alle deelnemers die zijn geboren op of na 1 januari 1950 of die zijn toegetreden in de regeling op of na 1 januari 2006. Voor de deelnemers die zijn geboren vóór 1 januari 1950 gold, onder bepaalde voorwaarden, als overgangsrecht Regeling B (NCP). In maart 2015 bouwden deelnemers voor het laatst op in Regeling B. Deze regeling B is in 2016 dus uitgewerkt.

Het pensioenpakket bestaat uit de verplichtgestelde regeling voor ouderdomspensioen, partner- en wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen. Bij het overlijden van een pensioengerechtigde kent PFZW verder, onder voorwaarden, een uitkering ineens bij overlijden toe. Daarnaast is er een regeling voor premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid en bestaat de mogelijkheid de deelneming in bepaalde situaties vrijwillig voort te zetten.

Naast de verplicht gestelde regelingen konden de deelnemers tot 1 juli 2013, op vrijwillige basis en binnen de wettelijke fiscale ruimte, deelnemen aan ‘Extrapensioen’ om zo hun pensioen aan te vullen.

De fiscale ruimte is per 1 juli 2013 en nadien per 1 januari 2014 dermate beperkt dat inleg in Extrapensioen niet langer leidt tot substantiële aanvulling op het pensioen en dus ook niet langer mogelijk is

Met ingang van 1 januari 2015 is het pensioengevend salaris voor het ouderdoms- partner- en wezenpensioen wettelijk gemaximeerd op een bedrag van € 100.000 (2016: € 101.519). Voor deelnemers met een inkomen boven dat bedrag zijn een nettopartnerpensioen (2015) en een netto-ouderdomspensioen (eind 2015) geïntroduceerd. Beide nettopensioenen zijn op vrijwillige basis.

Indexering en sturing

PFZW heeft de ambitie om de opgebouwde pensioenaanspraken en de ingegane pensioenen te indexeren op basis van de prijsinflatie (CPI). PFZW besluit elk jaar of, en zo ja in hoeverre, er kan worden geïndexeerd gelet op de financiële situatie van het fonds en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Het pensioenreglement is per 1 juli 2015 aangepast aan het nieuwe financiële toetsingskader (nFTK). Voor indexering gelden vanaf die datum de volgende voorwaarden:

  • De beleidsdekkingsgraad moet hoger zijn dan 110%.

  • De verleende mate van indexering moet naar verwachting ook in de toekomst mogelijk blijven.

  • De indexering moet in overeenstemming zijn met een eventueel herstelplan.

Elk jaar bekijkt het bestuur of het herstel naar de vereiste dekkingsgraad binnen een termijn van tien jaar kan worden gehaald. Als dat niet zo is, kan dat leiden tot een directe verlaging van pensioenen.

Als de beleidsdekkingsgraad niet langer voldoet aan het vereist eigen vermogen (VEV) moet binnen drie maanden een herstelplan worden ingediend bij DNB. De maatregelen kunnen zijn:

  • pensioenen niet of niet helemaal indexeren met de loonstijging (voor zover dit al wettelijk is toegestaan)

  • in uiterste geval de pensioenaanspraken en pensioenrechten verlagen, en

  • een tijdelijke premiestijging van 2,5%.

Een eventuele verlaging geldt voor alle pensioensoorten en voor iedereen met hetzelfde percentage. De verlaging kan over tien jaar worden gespreid. Als een verlaging noodzakelijk is, dan gaat dat samen met een extra premie van 2,5% voor de deelnemers. Deze extra premie vervalt als het pensioen weer op het niveau is van voor de verlaging. Als de beleidsdekkingsgraad zes opeenvolgende jaren lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad moeten de pensioenen ook verlaagd worden.

Ouderdomspensioen

Het ouderdomspensioen is een uitkeringsovereenkomst op basis van (voorwaardelijk) geïndexeerd middelloon. Voor het jaar 2016 bedraagt het opbouwpercentage 1,75%. De franchise 2016 voor Regeling A is nagenoeg gelijk aan de fiscaal minimaal toegestane franchise van € 11.675. Het ouderdomspensioen heeft een pensioenleeftijd die gelijk is aan de AOW-leeftijd en kan vervroegd of uitgesteld worden.

Partner- en wezenpensioen

Het partnerpensioen bij overlijden van de actieve deelnemer bedraagt 1,25% van de pensioengrondslag per jaar. Dit is voor de helft (0,625%) in opbouw en voor de helft op basis van risicodekking. Voor het vaststellen van de hoogte van het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioenleeftijd als premiebetalende deelnemer, wordt verondersteld dat de deelneming tot de pensioenleeftijd zou hebben voortgeduurd. Er is in voorkomende gevallen ook recht op Anw-compensatie. Als een ex-partner recht heeft op bijzonder partnerpensioen, dan wordt het partnerpensioen verlaagd.

Na het overlijden van een actieve deelnemer, een gewezen deelnemer of een gepensioneerde hebben kinderen jonger dan 21 jaar recht op wezenpensioen.

Flexpensioen

Het Flexpensioen is per 1 januari 2006 afgeschaft voor deelnemers geboren op of na 1 januari 1950. De flexpensioenrechten die tot die datum zijn opgebouwd, worden op 60-jarige leeftijd automatisch omgezet in ouderdomspensioen, tenzij de deelnemer hiertegen expliciet bezwaar maakt.

Verder is er een compensatieregeling getroffen voor deelnemers die op 31 december 2005 nog in aanmerking kwamen voor het NCP-overgangsrecht. Zij krijgen per opgebouwd deelnemingsjaar tot 1 januari 2006 een voorwaardelijke compensatie van 1,5 maand pensioenopbouw in de nieuwe regeling. Deze compensatie, ook wel VPL-aanspraak genoemd, wordt toegekend op 31 december 2020 of eerder als de deelnemer voor deze datum 55 jaar wordt.

Keuzemogelijkheden

De (gewezen) deelnemer heeft de mogelijkheid om zijn pensioen meer naar individuele wensen in te richten.

Bij pensionering kan de (gewezen) deelnemer kiezen om een deel van het ouderdomspensioen in te ruilen voor een verhoging van het partnerpensioen. Maar ook omgekeerd kan (vanaf 2006) opgebouwd partnerpensioen worden geruild voor een hoger ouderdomspensioen.

Het ouderdomspensioen kan worden vervroegd of uitgesteld. De vroegst mogelijke ingangsdatum is vanaf 1 januari 2014 gesteld op vijf jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd. Een (gewezen) deelnemer kan het ouderdomspensioen ook geheel of gedeeltelijk uitstellen tot uiterlijk vijf jaar na de pensioenleeftijd.

Op de ingangsdatum kan de deelnemer er voor kiezen om het ouderdomspensioen eenmalig in hoogte te laten variëren. Hij kan kiezen voor een hoog ouderdomspensioen gevolgd door een laag ouderdomspensioen, of omgekeerd. Het hoge pensioen bedraagt maximaal 100/75 maal het lage pensioen. Uiterlijk tien jaar na de pensioenleeftijd moet het hoge (c.q. lage) pensioen overgaan in het lage (c.q. hoge) pensioen.

Premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid

De deelnemer die ziek is geworden tijdens de deelneming en aansluitend daarop een WIA-uitkering ontvangt, heeft recht op premievrije pensioenopbouw. De premievrije voortzetting is afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat PFZW heeft vastgesteld. PFZW stelt dit vast aan de hand van informatie van het UWV. Bij volledige arbeidsongeschiktheid is de premievrije opbouw gebaseerd op maximaal 75% van het laatstverdiende pensioengevend salaris. De premievrije voortzetting eindigt bij einde van de WIA-uitkering.

Arbeidsongeschiktheidspensioen (AP-regeling)

Het arbeidsongeschiktheidspensioen bestaat uit een WIA-excedentpensioen en een WGA-hiaatpensioen. Het WIA-excedentpensioen is bedoeld voor deelnemers die meer dan het maximum dagloon verdienen. Het WGA-hiaatpensioen is bedoeld voor deelnemers die een vervolguitkering ontvangen en meer dan het minimumloon verdienen. Als een deelnemer meer dan het minimumloon verdient, bedraagt het WGA-hiaatpensioen ongeveer 70% van het laatstverdiende salaris.

De financieringsmethode van de AP-regeling is gebaseerd op het rentedekkingsstelsel. De actieve deelnemers betalen in enig jaar een risicopremie, waaruit de arbeidsongeschiktheidspensioenen worden gefinancierd van de deelnemers die naar verwachting twee jaar later arbeidsongeschikt worden.

Per 1 januari 2015 zijn de Regeling arbeidsongeschiktheidspensioen en de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid aangepast aan de afspraken die zijn gemaakt in het “Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling”.

Vrijwillige voortzetting en bescherming bij verlof en werkloosheid

PFZW biedt de deelnemer in een aantal situaties de mogelijkheid om de pensioenopbouw vrijwillig voort te zetten. Dat kan binnen het dienstverband bij bijvoorbeeld onbetaald verlof. Maar ook na einde van het dienstverband. Bijvoorbeeld tijdens de periode dat een deelnemer een loongerelateerde uitkering ontvangt.

Vanaf 2013 kan de gewezen werknemer gedurende tien jaar de deelneming aan de pensioenregeling vrijwillig voortzetten zolang hij winst uit onderneming geniet (IB-ondernemer). Het pensioengevend salaris is in de eerste drie jaar gemaximeerd op het pensioengevend salaris dat voor de deelnemer gold direct voor ingang van de vrijwillige voortzetting. Met ingang van het vierde jaar geldt als extra maximum dat als de gezamenlijke elementen van het ondernemersinkomen lager zijn dan het pensioengevende salaris dat de deelnemer als werknemer had, dan geldt dit lagere ondernemersinkomen. Is dit ondernemersinkomen hoger dan het laatstverdiende salaris als werknemer dan geldt dit laatste.

Voor de duur van een loongerelateerde werkloosheidsuitkering en tijdens een aantal vormen van onbetaald verlof blijft de risicodekking voor arbeidsongeschiktheid en overlijden in stand.

Regeling netto-ouderdomspensioen

Eind 2015 is de Regeling netto-ouderdomspensioen geïntroduceerd voor deelnemers met een inkomen hoger dan € 100.000 (2016: € 101.519). Dit is een premieovereenkomst op vrijwillige basis waarbij PFZW de premie belegt volgens het “PFZW netto ouderdomspensioenbeleggingsbeleid”. De deelnemer heeft hierbij geen beleggingsvrijheid. De samenstelling van de beleggingen is afhankelijk van de leeftijd van de deelnemer waarbij het beleggingsrisico wordt afgebouwd naarmate de pensioenleeftijd nadert.

Premies en behaald rendement vormen samen het pensioenkapitaal waarmee op de pensioenleeftijd een ouderdomspensioen (eventueel in combinatie met een nettopartnerpensioen) kan worden aangekocht. Bij overlijden van de deelnemer voor de pensioenleeftijd wordt van het pensioenkapitaal een nettopartnerpensioen aangekocht. Het nettopartnerpensioen zoals dat voortvloeit uit deze Regeling moet wel worden onderscheiden van de Regeling nettopartnerpensioen zoals hierna besproken.

Regeling nettopartnerpensioen

Vanaf 1 januari 2015 kent PFZW ook een Regeling nettopartnerpensioen. In eerste instantie gold deze regeling voor een zeer beperkte groep deelnemers met een inkomen boven de € 100.000. Namelijk alleen voor deelnemers met een op dat moment acute en substantiële vermindering van het bereikbare partnerpensioen.

Vanaf 1 januari 2016 is de regeling breder opengesteld en wel voor alle deelnemers met een inkomen boven de aftoppingsgrens (2016: € 101.519). Ook de Regeling nettopartnerpensioen is een beschikbare premieregeling op vrijwillige basis en heeft een gescheiden administratie ten opzichte van de bruto collectieve basisregeling van PFZW.

Pensioenregeling Accent en Instapregeling

Per 1 januari 2010 heeft PFZW alle pensioenverplichtingen overgenomen van Pensioenfonds FNV in liquidatie. Dit betekent dat alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden vanaf 1 januari 2010 verzekerd zijn bij PFZW. Voor hen geldt de Pensioenregeling Accent. Dit is een tijdelijke regeling die eindigt op 1 januari 2020 en die op één aspect verschilt van de reguliere PFZW-regeling. De voorwaardelijke indexering voor slapers en pensioengerechtigden bedraagt namelijk 60% van de reguliere voorwaardelijke indexering van PFZW.

Daarnaast kent PFZW vanaf 1 januari 2011 de Instapregeling. Deze regeling geeft werkgevers de mogelijkheid om in maximaal acht jaar geleidelijk in te stromen in de volwaardige collectieve pensioenregeling van PFZW.

Voor beide regelingen geldt dat reglementair mogelijk is gemaakt dat bij overgang naar de algemene collectieve pensioenregeling de pensioenaanspraken en pensioenrechten administratief worden omgezet. De omslachtige procedure van interne collectieve waardeoverdracht wordt op deze manier vermeden.

Regeling gemoedsbezwaarden

PFZW kent sinds jaar en dag een regeling voor personen die gemoedsbezwaren hebben tegen iedere vorm van verzekering.