2.2 Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Beleggingen

In de hierna volgende paragrafen wordt de algemene waarderingsgrondslag, zoals uiteengezet in de voorgaande paragraaf, nader toegelicht per beleggingscategorie. In toelichting 3.7 “Overzicht marktwaarde beleggingen en waarderingsmethoden” is een overzicht opgenomen met de marktwaarden van de beleggingen per beleggingscategorie waarbij een hiërarchisch onderscheid in waarderingsmethoden is gemaakt, afhankelijk van de beschikbaarheid van objectieve gegevens. De waarderingsmethoden en daarbij gehanteerde veronderstellingen worden hieronder toegelicht. Dit betreft de beleggingen voor zowel risico pensioenfondsen als risico deelnemers.

Vastgoed en infrastructuur

Bij niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in open end beleggingsfondsen, die beleggen in vastgoed of infrastructuur, vindt de waardering plaats op reële waarde waarvoor een nettovermogenswaarde wordt gehanteerd, zoals gepubliceerd door de fondsbeheerder. Niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in closed end beleggingsfondsen (inclusief deelnemingen en joint ventures), die beleggen in vastgoed of infrastructuur, worden gewaardeerd tegen de reële waarde zoals geschat door de externe manager of het management van de betreffende belegging, zijnde de nettovermogenswaarde. In het geval van directe investeringen wordt de reële waarde door de vermogensbeheerder geschat op basis van waarderingsmodellen en -technieken.

Bij het schatten van de reële waarde van de beleggingen wordt rekening gehouden met de richtlijnen van de European Association for Investors in Nonlisted Real Estate Vehicles (INREV) en de International Private Equity and Venture Capital Valuation Guidelines. Beleggingen in vastgoed en infrastructuur zijn lange termijn beleggingen met een beperkte liquiditeit. Het belangrijkste gegeven voor de waardering van de beleggingen is de waarde van de vastgoed- en infrastructuurbeleggingen waarin wordt geïnvesteerd. Voor het schatten van de waarde worden aannames gedaan die afhankelijk zijn van de specifieke belegging. Deze aannames zijn niet direct waarneembaar en vereisen een bepaalde mate van professionele expertise. Ter beoordeling van de ultimo boekjaar geschatte waarden wordt gebruik gemaakt van waarderingsrapporten van onafhankelijke externe waarderingsspecialisten.

Indien tevens financieringen zijn verschaft in de vorm van onderhandse leningen welke onlosmakelijk verbonden zijn met het eigen vermogensinstrument, worden deze ook verantwoord onder de betreffende beleggingscategorie.

Aandelen

Beursgenoteerde aandelen waarbij sprake is van een actieve markt worden gewaardeerd tegen de officiële slotkoersen. Bij niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in open end beleggingsfondsen die beleggen in aandelen vindt de waardering plaats op reële waarde waarvoor nettovermogenswaarde wordt gehanteerd zoals gepubliceerd door de fondsbeheerder. Niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in closed end beleggingsfondsen (inclusief deelnemingen) die beleggen in private equity worden gewaardeerd tegen de reële waarde zoals geschat door de externe manager of het management van de betreffende belegging, zijnde de nettovermogenswaarde. 

Bij het schatten van de reële waarde van de beleggingen wordt rekening gehouden met de richtlijnen van de International Private Equity and Venture Capital Valuation Guidelines. Beleggingen in private equity zijn lange termijn beleggingen met een beperkte liquiditeit. Het belangrijkste gegeven voor de waardering van de beleggingen is de waarde van de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. De waardering ultimo boekjaar geschiedt op basis van de waardering ultimo derde kwartaal, zoals opgegeven door de externe manager, kasstromen in het laatste kwartaal en een schatting voor de herwaardering in het laatste kwartaal gebaseerd op relevante marktindices.

Als tevens financieringen zijn verschaft in de vorm van leningen welke onlosmakelijk verbonden zijn met het eigen vermogensinstrument, worden deze ook verantwoord onder de betreffende beleggingscategorie.

Vastrentende waarden

Leningen worden gewaardeerd op basis van broker quotes of een model waarbij toekomstige kasstromen contant worden gemaakt en de variabelen uit actieve markten (bijvoorbeeld hypotheekmarkt of obligatiemarkt) worden afgeleid.

Beursgenoteerde obligaties waarbij sprake is van een actieve markt worden gewaardeerd tegen de slotkoersen, verhoogd met de lopende rente.

Bij niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in open end beleggingsfondsen, die beleggen in obligaties, vindt de waardering plaats op reële waarde waarvoor een nettovermogenswaarde wordt gehanteerd, zoals gepubliceerd door de fondsbeheerder. De onder obligaties opgenomen structured credits worden gewaardeerd op basis van een model waarbij één of meerdere variabelen niet uit een actieve markt zijn af te leiden.

Het saldo van de bankrekeningen en geldmarktinstrumenten op naam van PGGM Treasury B.V. wordt gewaardeerd tegen de reële waarde, zijnde het aandeel van PFZW in de reële waarden van de financiële instrumenten die PGGM Treasury B.V. aanhoudt voor rekening en risico van haar opdrachtgevers. Voor PFZW en de overige pensioenfondsen en beleggingsinstellingen die een strekkend mandaat hebben afgegeven, voert PGGM het treasurymanagement in gezamenlijkheid uit via PGGM Treasury B.V.

Banktegoeden worden gewaardeerd tegen de reële waarde, zijnde de nominale waarde.

Derivaten

Beursgenoteerde derivaten waarbij sprake is van een actieve markt, worden gewaardeerd tegen de officiële slotkoersen. Beursgenoteerde derivaten waarbij geen sprake is van een actieve markt, en niet-beursgenoteerde derivaten worden gewaardeerd op basis van een model waarbij de variabelen uit actieve markten worden afgeleid. Als van één of meerdere variabelen geen volledig objectief waarneembare marktgegevens beschikbaar zijn, wordt bij toepassing van het model gebruik gemaakt van inschattingen of aannames.

Overige beleggingen

Bij niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in open end beleggingsfondsen die beleggen in grondstoffen vindt de waardering plaats op reële waarde waarvoor de nettovermogenswaarde wordt gehanteerd zoals gepubliceerd door de fondsbeheerder.

Niet-beursgenoteerde kapitaalbelangen in closed end en open end beleggingsfondsen (inclusief deelnemingen en joint ventures) die beleggen in alternatieve beleggingsstrategieën worden gewaardeerd tegen de nettovermogenswaarde zoals geschat door de externe manager.

Herverzekeringsdeel technische voorzieningen

Herverzekeringscontracten worden gewaardeerd voor de actuarieel bepaalde contante waarde van de herverzekerde pensioenrechten en berekend volgens de grondslagen van de technische voorzieningen rekening houdend met een eventuele verandering van het lopende kredietrisico van de herverzekeraars.

Deelnemingen

Deelnemingen worden gewaardeerd tegen nettovermogenswaarde, op basis van de grondslagen van PFZW. Andere kapitaalbelangen worden verantwoord tegen verkrijgingsprijs. Er wordt (indien nodig) rekening gehouden met de duurzame waardeverminderingen die op de balansdatum verwacht worden.

Vorderingen uit hoofde van beleggingen

De vorderingen uit hoofde van beleggingen zijn verantwoord tegen de nominale waarde eventueel gecorrigeerd met de voorziening voor oninbaarheid.

Vorderingen en overlopende activa

De vorderingen en overlopende activa zijn verantwoord bij eerste verwerking tegen de reële waarde en daarna geamortiseerde kostprijs (gelijk aan nominale waarde indien er geen sprake is van transactiekosten) eventueel gecorrigeerd met de voorziening voor oninbaarheid. De voorziening voor oninbaarheid wordt bepaald aan de hand van de beoordeling van het kredietrisico van verschillende geïdentificeerde risicocategorieën van debiteuren.

Liquide middelen

De liquide middelen zijn gewaardeerd tegen de actuele waarde die gelijk aan de nominale waarde is.

Stichtingskapitaal en reserves

Overige reserves

De overige reserve is bedoeld voor het opvangen van niet gekwantificeerde risico’s zoals algemene bedrijfsrisico’s en kostenrisico’s, als buffer voor beleggingsrisico’s en als bron voor mogelijke toekomstige toeslagen. Het saldo van baten en lasten wordt via de resultaatbestemming en na aftrek van het saldo van de mutatie in de bestemde reserves, toegevoegd of onttrokken aan de overige reserve, al naar gelang de uitkomst.

Premiestabilisatiebestemmingsreserve

PFZW verwacht tot en met 2020 een stijging van de kostprijs van de jaarlijkse pensioenopbouw. Het bestuur streeft stabiliteit van de premie na. Daarom bepaalt PFZW vanaf 2015; de premie op basis van de gemiddelde kostprijs voor pensioen tot en met 2020. Het verschil tussen de gemiddelde kostprijs en de kostprijspremie van elk kalenderjaar wordt toegevoegd of onttrokken aan een premiestabilisatiebestemmingsreserve. In 2016 is net zoals in 2015 0,2 procentpunt toegevoegd. Deze premiestabilisatiebestemmingsreserve wordt jaarlijks verhoogd met de rentevoet onder de premie (2016: 2,63%) en de verleende indexatie (2016: 0%). De rentevoet en indexatie percentages zijn ten opzichte van 2015 niet veranderd. 

De toevoeging aan de premiestabilisatiebestemmingsreserve geschiedt via de resultaatbestemming.

In geval van een eventuele verlaging moet de premiestabilisatiebestemmingsreserve vrijvallen om een verlaging te vermijden of te verminderen. 

Technische voorzieningen

Onder de technische voorzieningen wordt verantwoord de voorziening pensioenverplichtingen risico pensioenfonds uit hoofde van de pensioenregeling, de overige technische voorziening uit hoofde van de AP regeling en de voorziening netto pensioen voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen.

De technische voorzieningen zijn actuarieel berekend en zijn vastgesteld op basis van op balansdatum rechtens afdwingbare verworven aanspraken (nominale opgebouwde rechten). Dit betekent dat de voorwaardelijke toekomstige indexering niet in de voorziening is begrepen, maar de op balansdatum toegezegde indexering wel in de voorziening is opgenomen. De toekomstige pensioenopbouw is buiten beschouwing gelaten. De technische voorzieningen zijn gelijk aan de contante waarde van de kasstromen die voortvloeien uit de rechtens afdwingbare verworven aanspraken. Dit gebeurt tegen de nominale rentetermijnstructuur per balansdatum zoals gepubliceerd door DNB.

Bij het bepalen van de voorziening zijn actuariële grondslagen gehanteerd die zijn geaccordeerd door het bestuur. Volledige actualisering van de grondslagen vindt eens in de drie jaar plaats. In 2016 heeft een volledige actualisering plaatsgevonden. Hierbij zijn alle grondslagen op basis van de meest recente gegevens bepaald. In de tussenliggende jaren worden de grondslagen geëvalueerd en als dat nodig is gewijzigd. Veranderingen in de grondslagen worden na vaststelling effectief. Zie voor een nadere toelichting noot 28 in de jaarrekening.

Voorziening pensioenverplichtingen risico pensioenfonds (pensioenregeling)

De pensioenregeling bevat de voorziening pensioenverplichtingen voor het ouderdomspensioen, partnerpensioen, Flexpensioen. Hierin is ook de toekomstige premievrije pensioenopbouw voor de huidige arbeidsongeschikte deelnemers begrepen. Daarnaast is voor de deelnemers die op de balansdatum ziek zijn, en mogelijk binnen twee jaar arbeidsongeschikt worden verklaard, rekening gehouden met de verwachte toekomstige schadelast in verband met premievrije pensioenopbouw.

De belangrijkste actuariële grondslagen zijn:

Marktrente:

rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB.

Sterfte:

prognosetafel 2016 van het Actuarieel Genootschap (AG), met leeftijds- en geslachts- afhankelijke correctiefactoren gebaseerd op de ervaringssterfte van het deelnemersbestand.

Frequentie samenwonen:

ervaringsgegevens deelnemersbestand pensioenfonds.

Verzekerde partner:

gebaseerd op samenlevingsfrequentie deelnemersbestand PFZW: vóór reglementaire pensioenleeftijd: systeem onbepaalde partner, ná reglementaire pensioenleeftijd: bepaalde partner. Het leeftijdsverschil tussen man en vrouw wordt drie jaar verondersteld, waarbij de man ouder is dan de vrouw.

Frequentie voor leeftijd gebruikmaking Flex- en vervroegd pensioen:

de uittreedleeftijd ligt 1 jaar voor de verwachte AOW-leeftijd.

Arbeidsongeschiktheid en reactivering:

gebaseerd op waarnemingen in het fondsbestand.

Administratie- en excassokosten:

2% van de voorziening.

Overige technische voorzieningen (AP-regeling)

De AP-regeling bevat de voorziening van AP-verplichtingen voor de ingegane en niet-ingegane AP-rechten. Tevens zit in de AP-regeling de onverdiende premie voor nieuwe instroom. De belangrijkste actuariële grondslagen zijn:

Marktrente:

rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB.

Sterfte:

prognosetafel 2016 van het Actuarieel Genootschap (AG), met leeftijds- en geslachts- afhankelijke correctiefactoren gebaseerd op de ervaringssterfte van het deelnemersbestand.

Arbeidsongeschiktheid en reactivering:

gebaseerd op waarnemingen in het fondsbestand

Administratie- en excassokosten:

2% van de voorziening voor ingegaan AP-pensioen en 5% van de voorziening voor niet-ingegaan AP-pensioen.

Voorziening netto-pensioen

De regeling netto pensioen bevat de voorziening voor het ouderdomspensioen en partnerpensioen.

De belangrijkste actuariële grondslagen zijn:

Marktrente:

rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB.

Sterfte:

Prognosetafel 2016 van het Actuarieel Genootschap (AG), met leeftijds- en geslachtsafhankelijke correctiefactoren gebaseerd op de ervaringssterfte van het deelnemersbestand rekening houdend met een salaris hoger dan € 101.519,-

Administratie- en Excassokosten:

2% van de voorziening

Compensatie Flexpensioen (VPL-schuld)

Met de introductie van de VPL-schuld in 2015 wordt elk jaar een reservering gedaan voor nog in te kopen compensatie Flexpensioen. Uiteindelijk is het streven om zonder grote premiestijgingen voldoende financiën over te houden voor de eindafrekening van de compensatie Flexpensioen in 2020. Jaarlijks wordt een deel (VPL-premie) van de feitelijke premie bestemd voor de compensatie Flexpensioen (2016: 1,1 procentpunt). Uit deze premie worden ieder jaar de rechten voor compensatie Flexpensioen ingekocht die in dat jaar onvoorwaardelijk worden op basis van de grondslagen voor het collectieve pensioen. Het resterende deel van deze premie wordt gezien als vooruitbetaalde VPL-premies en wordt toegevoegd aan de VPL-schuld.

Voor de vooruitbetaalde VPL-premies geldt hetzelfde beleggingsbeleid als voor het PFZW-vermogen. Aan de VPL-schuld wordt jaarlijks het door PFZW behaalde totaalrendement toegevoegd. De VPL-premie wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de totale last tot en met 2020 onder aftrek van de actuele hoogte van de VPL-schuld voorafgaand aan het premiejaar. Als eind 2020 er, door goede of slechte rendementen respectievelijk een overschot of een tekort is op de premie voor de VPL-regeling (de opgebouwde VPL-schuld plus de betaalde VPL-premie is niet gelijk aan de waarde van de in te kopen VPL-rechten), zal dit tekort of overschot verrekend worden door een opslag of verlaging op de reguliere pensioenpremie voor 2021 of 2022 (omdat de premie voor 2021 al gedurende 2020 wordt vastgesteld).

Voorziening pensioenverplichtingen risico deelnemers

De voorziening pensioenverplichtingen regeling Extrapensioen heeft betrekking op de opbouwfase voor het Rendementspensioen. De voorziening pensioenverplichtingen regeling netto ouderdomspensioen heeft betrekking op de opbouwfase inzake dit pensioenproduct. De voorziening wordt gewaardeerd op het saldo van de tot op balansdatum ingelegde premie- bijdragen, het overeengekomen contractueel rendement, de onttrekking voor pensioenuitvoeringskosten en de aanwending van het opgebouwde saldo voor inkoop van een premievrij recht op ouderdomspensioen, Flexpensioen of Netto Ouderdomspensioen.

Verplichtingen uit hoofde van beleggingen

Verplichtingen uit hoofde van beleggingen met een looptijd korter dan één jaar worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Overige verplichtingen met een looptijd langer dan één jaar worden gewaardeerd tegen reële waarde. De reële waarde wordt bepaald door het disconteren van de toekomstige kasstromen tegen uit de markt af te leiden gegevens.

Overige schulden en overlopende passiva

Overige schulden en overlopende passiva met een looptijd korter dan één jaar worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Overige schulden met een looptijd langer dan één jaar worden gewaardeerd tegen reële waarde. De reële waarde wordt bepaald door het disconteren van de toekomstige kasstromen tegen uit de markt af te leiden gegevens.