15.2 Risico’s

De eerste vier risico’s (S1 tot en met S4) betreffen marktrisico. Marktrisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen en de verplichtingen als gevolg van onzekerheid in marktprijzen, zoals aandelenkoersen en hoogte van de rente. Marktrisico is een bewust genomen risico waaruit de indexeringsambitie deels wordt gefinancierd. Daarbij is de beleggingsstrategie en het overeenkomstige risico afgestemd op de pensioenverplichtingen, onder andere door een weloverwogen spreiding van de beleggingen over categorieën, regio’s, sectoren, bedrijven en tegenpartijen.

Renterisico (S1)

Renterisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen en de verplichtingen als gevolg van onzekerheid in de rente.

In de beleggingsstrategie wordt gestreefd naar een optimale afstemming van het rente- en inflatierisico in de verplichtingen en de beleggingen, in samenhang met de ambitie van PFZW. Het strategische afdekpercentage per eind 2016 voor het nominale renterisico van PFZW bedraagt 31,7%, dit risico wordt afgedekt met staatsobligaties en renteswaps. Het renterisico wordt gedeeltelijk afgedekt, hiermee behoudt PFZW de ruimte om herstel te kunnen realiseren bij een mogelijke toekomstige rentestijging. Als de rente daalt leidt de niet volledige afdekking echter tot een lagere dekkingsgraad.

In de renteafdekking wordt bij de verdeling over looptijden rekening gehouden met marktliquiditeit en systeemrisico's. Het uitgangspunt hierbij is dat de totale rentegevoeligheid ongewijzigd blijft.

In het vereist eigen vermogen wordt bij de bepaling van het renterisico een looptijdafhankelijke schok toegepast. De rente wordt daarvoor vermenigvuldig met een factor oplopend van 0,49 bij looptijd 1 tot 0,76. Het toepassen van deze schok leidt tot een daling van de dekkingsgraad met ongeveer 5%.

In de volgende tabel is de gevoeligheid voor de nominale rente van de rentehedge, de vastrentende waarde en de technische voorziening weergegeven. Dit leidt tot veranderingen in de dekkingsgraad.

De technische voorziening is gevoelig voor een verandering van de rente. Een daling van de nominale rente met één procentpunt leidt tot een stijging van de technische voorziening van ongeveer € 40 miljard. Door de rentehedge en de beleggingen in vastrentende waarden wordt deze stijging ten dele gecompenseerd doordat de waarde daarvan met ongeveer € 18 miljard toeneemt. Uiteindelijk is de daling van de dekkingsgraad daardoor beperkt tot ongeveer 8 procentpunt. Hier tegenover staat dat bij een stijging van de rente de stijging van de nominale dekkingsgraad ook gedempt wordt.

Gevoeligheid op nominale rente

  

Stand

  

(bedragen x € 1 miljard)

-

1%

31-12-16

+

1%

      

Rente- en inflatiehedge

     

Derivaten

 

24,9

12,8

 

3,2

Overig

 

35,7

31,3

 

27,7

      

Overig vastrentende waarden

 

28,8

27,5

 

26,2

Technische voorziening

 

235,3

195,3

 

163,3

      

Nominale dekkingsgraad

 

87%

95%

 

105%

    Risico zakelijke waarden (S2)

    Risico zakelijke waarden is het aandelen- en vastgoedrisico. Risico zakelijke waarden is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als gevolg van onzekerheid in de marktprijzen.

    Het is, in lijn met de beleggingsstrategie, nadrukkelijk niet de bedoeling dit risico te minimaliseren. Toch wordt dit risico wel beheerst, met als belangrijkste beheersmaatregel een weloverwogen spreiding van de onderliggende beleggingen.

    Omdat de strategische beleggingsportefeuille voor een groot deel (ongeveer 51%) uit zakelijke waarden bestaat, is de dekkingsgraad ook erg gevoelig voor veranderingen in aandelenkoersen. Zo geeft een daling van de aandelenkoersen conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schok een daling van de (nominale) dekkingsgraad van ongeveer 15 procentpunt. Het grootste deel van deze beleggingen zijn aandelen in ontwikkelde markten. De schok op deze beleggingen is 30%.

    Valutarisico (S3)

    Valutarisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als gevolg van onzekerheid in de valutakoersen.

    In het strategische beleggingsbeleid van PFZW wordt valutarisico gedeeltelijk afgedekt door middel van termijncontracten en swap. Op de US dollar is 70% van het valutarisico en op de Japanse yen is 70% van het valutarisico afgedekt.

    De totale vreemde valutapositie bedroeg ultimo 2016 € 102 miljard (2015: € 88 miljard), waarvan ongeveer € 37 miljard (2015: € 31 miljard) niet was afgedekt.

    2016

    Beleggingen

      
     

    in vreemde

    Valuta-

    Netto-

     

    valuta

    derivaten

    positie

    (bedragen x € 1 miljard)

       
        

    US dollar

    58,8

    (40,9)

    17,9

    Japense yen

    5,9

    (4,2)

    1,7

    Zwitserse frank

    2,0

    (2,0)

    -

    Britse pond

    6,3

    (6,1)

    0,2

    Canadese dollar

    2,4

    (2,4)

    -

    Australische dollar

    3,3

    (3,3)

    -

    Hongkong dollar

    2,0

    (1,9)

    0,1

    Overige G14-valuta

    3,4

    (3,6)

    (0,2)

    Overige valuta

    17,7

    -

    17,7

    Subtotaal vreemde valuta

    101,8

    (64,4)

    37,4

    Euro

    83,8

      

    Reële waarde valuta swaps

    (0,2)

      

    Totaal beleggingen

    185,4

      

      Omdat het valutarisico conform beleid niet volledig is afgedekt, is de dekkingsgraad gevoelig voor veranderingen in de valutakoersen. Een daling in de koersen, conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schok, ten opzichte van de euro geeft op basis van de feitelijke afdekking een daling van de nominale dekkingsgraad van 4 procentpunt. Deze schok bedraagt 20% voor ontwikkelde en 35% voor opkomende markten.

      Grondstoffenrisico (S4)

      Grondstoffenrisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als gevolg van onzekerheid over de marktprijzen van de grondstoffen.

      PFZW is gevoelig voor een daling van de grondstofprijzen, maar gezien het beperkte aandeel van grondstoffen in de totale beleggingsportefeuille is deze gevoeligheid gering, zeker in vergelijking met de gevoeligheid voor aandelen en vastgoed. Een daling van de grondstofprijzen met 55%, conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schok geeft een daling van de nominale dekkingsgraad van ruim 2 procentpunt.

      Kredietrisico (S5)

      Kredietrisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als de kredietwaardigheid van tegenpartijen verslechtert, waardoor de kans toeneemt dat ze niet aan de contractuele verplichtingen kunnen voldoen. Het gaat hier voornamelijk om leningen, geldmarktbeleggingen (voornamelijk deposito’s) en over-the-counter derivaten (OTC derivaten). Over de beursgenoteerde derivaten wordt geen kredietrisico gelopen.

      De beheersing van kredietrisico naar tegenpartijen is geïntegreerd in het beleggingsproces door gebruik te maken van geaccordeerde tegenpartijen, een dagelijks collateral managementproces en een limietenstructuur. Het meten van kredietrisico gebeurt dagelijks integraal over de gehele portefeuille waarin alle facetten van kredieten tegenpartijrisico’s worden meegenomen.

      De dekkingsgraad is gevoelig voor kredietrisico. Een stijging van de credit spreads conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schok geeft een daling van de dekkingsgraad met bijna 3 procentpunt. De schok is afhankelijk van de credit spread van de rating van de onderliggende beleggingen. Hierbij geldt bij een AAA-rating een schok van 60 basispunten. Voor een lagere rating geldt een grotere schok. 

      Verzekeringstechnisch risico (S6)

      Verzekeringstechnisch risico is de mogelijke impact op de waarde van de pensioenverplichtingen als gevolg van onzekerheid in de actuariële grondslagen. Langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico voor PFZW dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld wordt verondersteld. Bij de bepaling van de voorziening wordt al rekening gehouden met de verwachte verhoging van de levensverwachting zoals deze door het Actuarieel Genootschap wordt voorspeld.

      Er is een hoge mate van onzekerheid rond de levensverwachting. Dat komt doordat 100 jaar vooruit wordt gekeken.

      Bij de berekening van het Vereist Eigen Vermogen (VEV) wordt een schok op de voorziening gedaan zoals beschreven in de handreiking van DNB. Toepassing van deze schok leidt tot een bijna 4 procentpunt lagere dekkingsgraad.

      Liquiditeitsrisico (S7)

      Liquiditeitsrisico is het risico dat PFZW in tijden van stress niet over voldoende liquide financiële middelen beschikt om te voldoen aan de betalingsverplichtingen. PFZW heeft behoefte aan voldoende liquide middelen (kas) om bijvoorbeeld de ingegane pensioenen te kunnen betalen.

      Daarnaast moet PFZW ook voor de uitvoering van de hedgestrategieën binnen het beleggingsbeleid over voldoende liquide middelen beschikken. He fonds monitort de verhouding tussen de liquiditeitsbehoefte en de beschikbare liquiditeit in een sterk negatief stressscenario. PFZW heeft voldoende mogelijkheden om zijn liquiditeitspositie te vergroten. Hierdoor is PFZW in staat om op korte termijn aan zijn verplichtingen te voldoen, ook in tijden van stress.

      Naast de behoefte aan liquide middelen is ook de stuurbaarheid in het belegd vermogen van belang. Die stuurbaarheid is gedefinieerd als de mate waarin de verschillende beleggingscategorieën binnen de strategische bandbreedtes blijven. PFZW investeert een substantieel deel van het vermogen in illiquide beleggingen, die goed aansluiten bij het langetermijnkarakter van pensioenen. Om te voorkomen dat deze illiquide beleggingen de stuurbaarheid verminderen, wordt in het herbalanceringsbeleid expliciet rekening gehouden met de posities in illiquide beleggingen.

      Onderhandse leningen betreffen langetermijnbeleggingen en deze hebben een beperkte liquiditeit door beperkingen die zijn opgelegd wanneer PFZW vroegtijdig de omvang daarvan wil terugbrengen.

      Door genoemde beheersmaatregelen kan bij het bepalen van het Vereist Eigen Vermogen de impact van dit risico als nihil worden verondersteld.

      Concentratierisico (S8)

      Concentratierisico is het risico dat ontstaat als een adequate spreiding van activa of passiva ontbreekt.

      PFZW heeft een beleggingsstrategie met een weloverwogen spreiding van de beleggingen over categorieën, regio’s, sectoren en bedrijven. Ook het deelnemersbestand is divers, met een zeer groot aantal deelnemers en een spreiding over de verschillende leeftijdscohorten. Het risico is daarmee beperkt.

      Daarom wordt bij het bepalen van het vereist eigen vermogen geen buffer voor dit risico aangehouden.

      Operationeel risico (S9)

      Operationeel risico betreft het risico dat ontstaat als gevolg van het falen of tekortschieten van interne processen, menselijke en technische tekortkomingen en onverwachte externe gebeurtenissen.

      PFZW heeft in de afgelopen jaren stappen gezet richting een meer volwassen risicomanagement. Onder meer door de ontvangst van ISAE3402-rapportages met betrekking tot de beheersing van interne processen bij pensioenbeheer en vermogensbeheer wordt het financieel operationeel risico gemanaged. Daarom wordt bij het bepalen van het vereist eigen vermogen geen buffer voor dit risico aangehouden.

      Risico actief beheer (S10)

      Het actief beheer risico heeft betrekking op de ruimte om bij de uitvoering van het beleggingsbeleid af te wijken van de strategisch nagestreefde portefeuille.

      De risico-opslag voor actief beheer is gebaseerd op de tracking errors van de beursgenoteerde aandelenportefeuille, waarbij tracking errors kleiner dan 1% buiten beschouwing worden gelaten. Voor de overige beleggingsportefeuilles is actief beheer conceptueel niet goed toepasbaar of wordt het actieve risico in belangrijke mate ondervangen indien het doorkijkbeginsel goed wordt toegepast.

      Slechts een zeer beperkt deel van het beleggingsbeleid van PFZW van de liquide portefeuille kent actief beheer. De allocaties naar de categorieën beleggingen in oplossing aandelen en beursgenoteerd vastgoed hebben een tracking error groter dan 1%. In 2015 lagen deze nog onder de 1%, daarom werd er toen voor dit risico geen buffer aangehouden in het vereist eigen vermogen. De toegepaste schok voor actief beheer leidt tot een daling van de dekkingsgraad met minder dan een procentpunt.