16 Financiering en financiële positie

Financiële positie

De actuele dekkingsgraad is gedurende 2016 licht gestegen van 95,1% naar 95,2%. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de laatste 12 actuele dekkingsgraden op de maandeinden. De reële dekkingsgraad is ook wettelijk gedefinieerd. Dit is de verhouding tussen de beleidsdekkingsgraad en de dekkingsgraad waarbij volledig toekomstbestendig geïndexeerd zou kunnen worden.

De beleidsdekkingsgraad van 90,1% ligt onder de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,2% en onder de vereiste dekkingsgraad van 124,3%. PFZW heeft daarom zowel een dekkings- als een reservetekort. De vereiste dekkingsgraad bevat een solvabiliteitsbuffer van 24,3% om de kans om binnen een jaar in een dekkingstekort te komen, te minimaliseren.

Dekkingsgraden

2016

2015

   

Actuele dekkingsgraad

95,2%

95,1%

Beleidsdekkingsgraad

90,1%

97,1%

Reële dekkingsgraad

73,4%

77,9%

Bij het bepalen van de voorziening is gebruik gemaakt van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur inclusief Ultimate Forward Rate (UFR). Onderstaande tabel geeft de impact van de verschillende factoren op de ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad weer.

 

2016

2015

   

Dekkingsgraad begin van het jaar

95,1%

102,2%

   

Impact beleggingsopbrengst:

  

◦ Rendement (exclusief rente- en inflatiemandaat)

7,5%

1,3%

◦ Rente- en inflatiemandaat

3,8%

(1,4%)

 

11,3%

(0,1%)

Impact ontwikkeling verplichtingen:

  

◦ Rentetoevoeging voorziening

0,1%

(0,2%)

◦ Marktwaarde verandering

(10,4%)

(6,9%)

 

(10,3%)

(7,1%)

Impact premies en uitkeringen:

  

◦ Premiebijdrage en pensioenopbouw

0,0%

0,1%

◦ Verrichten van pensioenuitkeringen

(0,1%)

0,0%

 

(0,1%)

0,1%

   

Impact aanpassing actuariele grondslagen

(0,7%)

0,0%

   

Indexering

0,0%

0,0%

   

Overige mutaties

(0,1%)

0,0%

   

Dekkingsgraad eind van het jaar

95,2%

95,1%

    De factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van de dekkingsgraad zijn hieronder toegelicht:

    • Het totaal behaalde rendement in 2016 op de beleggingsportefeuille van PFZW is 12,0%. De reguliere beleggingen zorgen voor een positief rendement. Het behaalde rendement exclusief renteafdekking (7,6%) leidt tot een stijging van 7,5 procentpunt van de dekkingsgraad. Door het positieve rendement van de renteafdekking (4,4%) stijgt de dekkingsgraad met 3,8 procentpunt.

    • Door marktwaardeverandering in de rentetermijnstructuur daalt de dekkingsgraad met 10,4 procentpunt. Hierbij is gerekend met de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur per eind december 2016.

    • Door premiebijdrage en pensioenopbouw daalt de dekkingsgraad met minder dan 0,1 procentpunt. Door verrichten van pensioenuitkeringen daalt de dekkingsgraad met 0,1 procentpunt. Deze post is het resultaat van de werkelijke verrichte pensioenuitkeringen en de vrijval uit de voorziening voor pensioenuitkeringen gedurende 2016. Omdat de dekkingsgraad onder de 100% ligt, zorgt uitkeren van pensioenen voor een daling van de dekkingsgraad.

    • Door aanpassing actuariële grondslagen daalt de dekkingsgraad met 0,7 procentpunt.  In 2016 is de grondslag sterfte en langleven aangepast. Dit is zowel de nieuwe prognosetafel van het Actuarieel Genootschap als een aanpassing in de fondsafhankelijke ervaringssterfte. Beide aanpassingen zorgen voor de helft van dit effect.

    Herstelplan

    Aangezien de dekkingsgraad van PFZW onder de vereiste dekkingsgraad ligt, heeft PFZW in 2015 een herstelplan ingediend. Dit herstelplan wordt jaarlijks geactualiseerd, waarbij wordt getoetst dat binnen tien jaar de dekkingsgraad weer boven de vereiste dekkingsgraad komt. In 2017 is dit herstelplan geactualiseerd. Hieruit blijkt dat gegeven de actuele dekkingsgraad eind 2016 de dekkingsgraad naar verwachting zonder aanvullende maatregelen binnen tien jaar boven de vereiste dekkingsgraad komt.

    Indexering

    Indexering is voorwaardelijk en wordt jaarlijks door het bestuur van PFZW vastgesteld. Er is geen recht op indexering. De indexering is afhankelijk van de financiële positie van PFZW. De beleidsdekkingsgraad eind september 2016 was 91%. Conform de financiële opzet en het herstelplan heeft het bestuur van PFZW besloten niet te indexeren (bij een loongroei van 1,29%).

    PFZW had de ambitie om de pensioenaanspraken en de ingegane pensioenen jaarlijks aan te passen aan de algemene loonontwikkeling in de sector zorg en welzijn. Vanaf 2017 zal de ambitie de prijsinflatie zijn. Volgens de financiële opzet financiert PFZW de indexeringsambitie deels uit de premie en deels uit rendement op beleggingen. 

    Gegeven de huidige financiële positie is de kans op indexering ook de komende jaren klein. Die verwachting is sterk afhankelijk van marktontwikkelingen. Volgens het FTK mag pas worden geïndexeerd bij een beleidsdekkingsgraad boven de 110%. Daarnaast moeten de buffers hoog genoeg zijn om deze indexering ook in de toekomst te kunnen blijven geven.

    Premie en toetsing aan de Pensioenwet

    De feitelijke pensioenpremie voor 2016 bedraagt 23,5% over het salaris boven de franchise. Hiervan is 1,1 procentpunt bestemd als VPL-premie voor compensatie Flexpensioen. Van de reguliere premie van 22,4% wordt 0,2 procentpunt gereserveerd voor de premiestabilisatiebestemmingsreserve. Er was in 2016 geen sprake van premiekorting.

    De premie voor arbeidsongeschiktheidspensioen bedraagt 0,4% over salaris boven de AP-franchise. Er is in 2016 geen premieverlaging verleend.

    Achteraf bekijkt PFZW of de premie over 2016 voldoende kostendekkend is geweest. Dit wordt op twee manieren getoetst. Op basis van de gedempte kostendekkende premie en op basis van de ongedempte kostendekkende premie.

    De gedempte premie wordt vastgesteld op basis van een verwacht rendement gecorrigeerd voor de ambitie van het fonds. 

    De ongedempte kostendekkende premie is gebaseerd op de nominale rentestand van eind 2016 (inclusief UFR) met bijbehorende yield van 2,0%. Bij de ongedempte kostendekkende premie wordt geen rekening gehouden met de meeropbrengst vanuit het beleggingsbeleid.

    PFZW heeft ervoor gekozen om te toetsen op basis van de gedempte premie, omdat dit een stabieler beeld geeft, en er rekening wordt gehouden met beleggingsbeleid en de ambitie. Dit is conform het FTK.

    De feitelijke pensioenpremie (exclusief VPL-premie) van 22,4% is hoger dan de gedempte kostendekkende premie van 17,3%, ook als rekening wordt gehouden met de toevoeging aan de premiestabilisatiebestemmingsreserve van 0,2%. Hiermee wordt voldaan aan de eis van kostendekkendheid volgens de Pensioenwet. De ongedempte kostendekkende premie is 29,9%.

    In onderstaande tabel zijn de verschillende premies uitgesplitst. Wanneer de feitelijke premie (exclusief toevoeging premiestabilisatiebestemmingsreserve) wordt vergeleken met de kostendekkende premies is een positief verschil te bestemmen als een opslag voor herstel van de financiële positie.

      

    Gedempte

     

    Ongedempte

      

    kostendekkende

    kostendekkende

      

    premie

     

    premie

    Pensioenopbouw actieven

    8,4%

     

    22,0%

     

    Premievrije pensioenopbouw AO-ers

    0,3%

     

    0,8%

     

    Ingang Partnerpensioen op risicobasis

    0,5%

     

    0,8%

     
         

    Totaal actuariële inkooppremie

     

    9,2%

     

    23,6%

         

    Opslag voor vereist eigen vermogen

     

    2,4%

     

    6,1%

    Opslag voor de uitvoeringskosten

     

    0,2%

     

    0,2%

    Opslag bestemd voor voorwaardelijke indexering

     

    5,5%

     

    0,0%

         

    Totale kostendekkende premie

     

    17,3%

     

    29,9%

         

    Feitelijke pensioenpremie

     

    22,4%

     

    22,4%

    Toevoeging aan premiestabilisatiebestemmingsreserve

     

    0,2%

     

    0,2%

    Premieoverschot/-tekort

     

    4,9%

     

    (7,7%)

      Waardeoverdrachten

      Een pensioenuitvoerder is wettelijk verplicht om op verzoek van een werknemer mee te werken aan waardeoverdracht, als de werknemer gaat deelnemen in een pensioenregeling die door een andere pensioenuitvoerder wordt uitgevoerd. Deze overdracht betreft de waarde van de tot dan toe bij de overdragende pensioenuitvoerder opgebouwde pensioenaanspraken. De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om de overgedragen waarde aan te wenden voor de toekenning van pensioenaanspraken die ten minste gelijkwaardig zijn aan de oorspronkelijk opgebouwde aanspraken.

      De Pensioenwet schrijft voor dat deze verplichting wordt opgeschort als bij een van de pensioenuitvoerders, of beiden, sprake is van een beleidsdekkingsgraad onder de 100%. Hierdoor heeft er in heel 2016 geen waardeoverdracht plaatsgevonden.