Ontwikkelingen in de regelgeving voor PFZW van belang

In 2016 waren er nationale en internationale ontwikkelingen in wet- en regelgeving die relevant waren voor PFZW en die onder meer hebben geleid tot enkele wijzigingen in de statuten, de pensioenregeling en het uitvoeringsreglement. De meest ingrijpende ontwikkelingen worden hierna toegelicht.

Wet verbeterende premieregeling: invloed op Extrapensioen en nettopensioen

Op 1 september 2016 trad de Wet verbeterde premieregeling in werking. Doel van deze wet is om alle deelnemers met een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst een keuze te bieden tussen een vaste of een variabele uitkering, waarbij het kapitaal ook na pensioendatum nog kan worden belegd. Met de introductie van een variabel pensioen hebben deelnemers kans op een beter pensioenresultaat. Dit komt omdat ze niet langer in een keer een pensioen hoeven aan te kopen tegen een relatief lage rente. Ze kunnen na pensioeningang nog doorbeleggen en daarbij rendement behalen.

Een variabele uitkering is alleen toegestaan bij een vrijwillige regeling bij een pensioenfonds als er sprake is van een minimale werkgeversbijdrage van 10%. Dit betekent dat voor zowel Extrapensioen als nettopensioen geen variabele uitkering aan de deelnemers kan worden aangeboden, omdat er bij beide producten geen sprake is van een 10% werkgeversbijdrage.

In het verlengde van deze wetgeving heeft DNB laten weten dat DNB terugkomt op het eerdere standpunt, dat deelnemers aan een vrijwillige pensioenregeling hun uiteindelijke pensioen niet elders mogen aankopen (shoppen).

Als de wetgeving niet verandert, dan moet een deelnemer aan nettopensioen zijn pensioen verplicht inkopen in de collectieve basisregeling tegen verplicht voorgeschreven ongunstige tarieven.

De Eerste Kamer heeft een motie aangenomen, waarin de regering verzocht wordt ervoor te zorgen dat pensioenfondsen niet belemmerd worden door de eis van een minimale werkgeversbijdrage van 10%, zodat ze hun deelnemers een variabele pensioenuitkering kunnen aanbieden. Vanuit de Pensioenfederatie is er een brief gestuurd naar staatsecretaris Klijnsma om (in samenwerking met het Ministerie van Financiën) tot een oplossing te komen. De staatsecretaris is hierover in overleg met het pensioenveld.

Evaluatie EMIR

Als reactie op de financiële crisis van 2008 kwam de Europese Unie op 12 augustus 2012 met een Europese verordening op het gebied van derivaten, de European Markets Infrastructure Regulation (EMIR). Doel hiervan is de financiële markten veiliger en meer transparant te maken.

De partijen die in derivaten handelen, moeten deelnemen aan een systeem met afhandeling door centrale tegenpartijen (’geclearde’ transacties) waar dat mogelijk is, waardoor niet langer risico wordt gelopen op de tegenpartij. Ook moeten partijen meer zekerheden verschaffen voor de risico’s van de transacties.

Door deze maatregelen worden de kosten voor pensioenfondsen hoger en krijgen ze te maken met grotere liquiditeitsrisico’s. Vanwege de hogere kosten heeft de Europese Unie de pensioenfondsen voorlopig vrijgesteld van de centrale clearing. Deze vrijstelling geldt tot 16 augustus 2017 en kan daarna nog eenmaal worden verlengd tot 16 augustus 2018.

De Europese Commissie heeft EMIR laten evalueren. Hierover is op 23 november 2016 gepubliceerd. Dit rapport geeft onder andere aan dat het systeem makkelijker en efficiënter moet worden. Ook moet worden onderzocht of de vrijstelling van centrale clearing voor pensioenfondsen verlengd of permanent gemaakt moet worden zonder aan de kern van EMIR afbreuk te doen. In 2017 verwacht de Europese Commissie met herziene regels voor EMIR te komen. Over de impact daarvan is nog niets te zeggen.

Nieuwe IORP-richtlijn

In 2016 was het nodige te doen over de herziening van de zogenoemde IORP-richtlijn. IORP staat voor Institutions for Occupational Retirement Provision. Dit is de Europese richtlijn die sinds 2003 geldt voor pensioenfondsen. In de zomer van 2016 kwam over deze herziening een politiek principe-akkoord tot stand, waarna de Raad van Ministers de definitieve tekst van de herziene richtlijn (IORP II) op 8 december 2016 heeft aanvaard.

In eerste instantie stelde de Europese Commissie in 2014 een groot aantal ingrijpende aanpassingen voor. Zowel de Nederlandse pensioenfondsen als de Nederlandse overheid vonden dat te ver gaan.

Door intensieve afstemming en samenwerking van de betrokken landen zijn veel voorstellen van de Europese Commissie alsnog aangepast of geschrapt. Voorbeelden hiervan zijn:

  • geen door Europa voorgeschreven kapitaaleisen voor de aan te houden buffers van pensioenfondsen

  • geen verstrekkende, dwingende Europese communicatievoorschriften over hoe pensioenfondsen hun deelnemers informeren

  • geen ‘gedelegeerde regelgeving’, ofwel de Europese Commissie en/of de Europese toezichthouder op pensioen (EIOPA) krijgt geen extra bevoegdheden om zelfstandig regels op te leggen

Dat wil niet zeggen dat er helemaal niets verandert. IORP II stelt een aantal minimumvereisten aan pensioenfondsen, vooral op het gebied van ‘governance’ (bestuur) en transparantie. Een pensioenfonds moet bijvoorbeeld zorgen voor goede bestuurders, die ‘prudent’ omgaan met het pensioengeld. Er zijn eisen aan risicobeheer, personeel en uitbesteding van taken, en op communicatiegebied.

De richtlijn moet binnen twee jaar na inwerkingtreding worden omgezet in Nederlandse wetgeving.