Beleggingsresultaten in 2016

Gecumuleerd meerjarig rendement

Het rendement – na aftrek van kosten voor vermogensbeheer – kwam in 2016 uit op 12.0%, 0,3% boven de benchmark. Daarmee komt het gemiddelde rendement sinds de oprichting van het pensioenfonds in 1971 uit op 8,2%. De onderstaande grafiek geeft het cumulatieve gerealiseerde rendement in de afgelopen tien jaar weer (6,4%).

Onderstaande tabel geeft in meer detail inzicht in de behaalde rendementen in 2016, rekening houdend met de gemaakte kosten ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen:

Beleggingen en rendement PFZW

     

31 december 2016

        
 

Allocatie1

 

Bruto

 

Netto

Netto

Out-

 

In mln

In %

rendement

Kosten2

rendement

benchmark

performance

        

Zakelijke waarden

€ 100 187

54,0%

12,0%

0,8%

11,2%

11,5%

(0,3%)

Liquide aandelen

€ 54 153

29,2%

13,1%

0,1%

13,0%

13,1%

(0,1%)

Private equity

€ 11 108

6,0%

18,7%

4,1%

14,6%

16,5%

(1,6%)

Beursgenoteerd vastgoed

€ 10 892

5,9%

4,6%

0,1%

4,5%

7,7%

(3,0%)

Privaat vastgoed

€ 11 832

6,4%

10,6%

1,2%

9,4%

7,2%

2,1%

Infrastructuur

€ 6 982

3,8%

8,6%

1,3%

7,3%

6,2%

1,1%

Insurance

€ 3 822

2,1%

9,5%

0,8%

8,7%

8,8%

(0,1%)

Overig

€ 1 398

0,8%

7,5%

3,2%

4,3%

6,0%

(1,6%)

        

Krediet

€ 25 968

14,0%

13,5%

0,2%

13,3%

12,5%

0,6%

Bedrijfsobligaties & High Yield

€ 12 482

6,7%

11,1%

0,1%

11,0%

11,7%

(0,7%)

Emerging Markets Debt

€ 7 143

3,9%

12,5%

0,2%

12,3%

13,2%

(0,8%)

Structured credit

€ 5 481

3,0%

21,8%

0,2%

21,7%

14,4%

6,3%

Hypotheken

€ 861

0,5%

9,5%

0,5%

8,9%

5,6%

3,2%

        

Grondstoffen

€ 8 386

4,5%

22,5%

0,1%

22,4%

22,1%

0,2%

        

Vastrentende waarden

€ 50 892

27,4%

13,7%

0,0%

13,7%

12,3%

1,3%

Rente en Inflatie mandaat

€ 43 964

23,7%

16,1%

0,0%

16,1%

14,5%

1,5%

Overig

€ 6 928

3,7%

0,9%

 

0,9%

0,7%

0,2%

        

Currency overlay

€( 5)

0,0%

  

€( 1.602)

€( 1.497)

 

Contributie currency overlay

    

(1,0%)

  

Vergoeding uitvoeringsorganisatie

   

€ 16

   

Bestuurskosten Vermogensbeheer

   

€ 1

   
        

Totaal

€ 185 428

100,0%

12,5%

0,5%

12,0%

11,6%

0,3%

    • 1Bovenstaande tabel volgt de indeling van de strategische benchmark van PFZW, waarbij door de bijbehorende vorderingen, schulden en kasposities heen wordt gekeken. Hierdoor sluiten bedragen uit deze tabel niet aan met de balans in de jaarrekening, waar een rubricering volgens de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving wordt toegepast. De allocatie (in euro en percentage) sluit niet aan met de tabel Kosten vermogensbeheer exclusief transactiekosten per beleggingscategorie, waarin de allocatie conform Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie op basis van het gemiddeld belegd vermogen wordt gepresenteerd.
    • 2Betreft kosten vermogensbeheer exclusief transactiekosten.

    PFZW berekent outperformance cijfers zodanig dat zichtbaar wordt hoeveel extra rendement de benchmark had moeten maken om op het portefeuillerendement uit te komen. Daardoor komen de outperformance cijfers niet overeen met het verschil tussen de netto rendementen en de netto benchmark rendementen.

    Rendement zakelijke waarden en krediet in dubbele cijfers

    Het rendement voor zowel de zakelijke waarden als de beleggingen in krediet eindigden in de dubbele cijfers, met respectievelijk 11% en 13%. Voor beide categorieën speelde de sterkere dollar een positieve rol, maar ook zonder het valuta-effect was sprake van een goed rendement. Binnen de zakelijke waarden presteerden liquide aandelen en niet-liquide aandelen (private equity) het best dankzij verbeterde economische vooruitzichten in combinatie met een aanhoudend lage rente. Dezelfde factoren beïnvloedden ook de rendementen op vastgoed, infrastructuur en insurance positief, zij het in mindere mate.  

    Voor beleggingen in krediet zat in 2016 eigenlijk vrijwel alles mee. De rente bleef laag en daalde in sommige regio’s nog verder, ook omdat de opslagen voor kredietrisico, de credit spreads,  afnamen. Ook verliezen als gevolg van wanbetalingen bleven beperkt. Bedrijfsobligaties, high yield, en vooral ook structured credit  profiteerden hiervan.

    Het hoge rendement op hypotheken kreeg behalve door de daling van de rente een extra impuls door een positief rendement op ‘nieuwe productie’. Dit rendement ontstaat door een verschil in hypotheekrente tussen het moment van offreren en passeren van de hypotheek. Bij een daling van de hypotheekrente, zoals in 2016,  leidt dit tot een extra positief rendement dat nog eens wordt versterkt doordat hier sprake is van een portefeuille in opbouw. 

    Lagere rentes waren tot slot ook de belangrijkste bron voor het rendement van emerging markets debt. Tegelijkertijd droegen ook de sterkere valuta’s in opkomende markten hier positief bij.

    Rendement voor grondstoffen ruim 22%

    Na de forse verliezen in de voorgaande twee jaren, leverden grondstoffen in 2016 een positief rendement op van ruim 22%. Verbeterde economische vooruitzichten en afspraken in de OPEC over vermindering van het aanbod van olie leidden er in 2016 toe dat olieprijzen gemiddeld met bijna 50% stegen.

    Grondstofbeleggers beleggen in termijncontracten, die worden verkocht voordat ze aflopen. In 2016 lag de verkoopprijs van deze contracten beduidend onder de prijs van de nieuwe contracten die tegelijkertijd werden gekocht. Dit zogenaamde doorrollen van de contracten leidde ertoe dat het rendement op de beleggingen beduidend lager was dan de stijging van de olieprijzen.

    Vastrentende waarden en afdekking rente- en valutarisico

    Binnen vastrentende waarden wordt het renterisico en het inflatierisico van de verplichtingen voor een deel afgedekt via beleggingen in staatsobligaties en inflation linked bonds. We gebruiken derivaten om de afdekking van de risico’s op de gewenste omvang te krijgen en om langlopende verplichtingen af te kunnen dekken. Deze derivaten, voornamelijk renteswaps, vormen samen de overlay.

    In 2016 kwam het totale netto rendement op de vastrentende waarden uit op 13,7%. Doordat zowel de rente op staatsobligaties als op renteswaps daalde met iets minder dan een half procentpunt leverden beide een positieve bijdrage aan het rendement. Doordat het rendement van de renteswaps meer gevoelig is voor renteveranderingen, droegen deze het meest bij aan het rendement.

    Net als het renterisico dekken we ook het valutarisico af met derivaten. Deze vallen onder de categorie currency overlay. Het belangrijkste hierbij is de ontwikkeling van de eurodollar wisselkoers. Een belangrijk deel van de beleggingen is in US dollar en het wisselkoersrisico dat hiermee gepaard gaat, wordt voor 70% afgedekt. De daling van de euro ten opzichte van de US dollar (van 1,09 naar 1,06 in 2016) had een positief effect op het rendement van de beleggingsportefeuilles die in dollars beleggen.

    Het valutarisico op veel andere valuta’s dekken we ook af, maar omdat hierin minder is belegd, is het effect hiervan minder groot. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het wisselkoersrisico van het Britse pond dat volledig wordt afgedekt. De verliezen op de beleggingen door de waardedaling van de Britse munt van 15% werden gecompenseerd door een positief rendement op de currency overlay. Doordat het belegd vermogen in het Verenigd Koninkrijk slechts een tiende is van de beleggingen in US dollar was de koersstijging van laatstgenoemde dominant. Het resultaat op de currency overlay was hierdoor afgerond € -1,6 miljard.

    Kosten

    Net als in voorgaande jaren zijn de rendementen weergegeven exclusief en inclusief kosten. Het betreft hier een zo goed mogelijke inschatting van de beheerkosten, voor zover van toepassing inclusief prestatiegerelateerde vergoedingen, de performance fees.

    De totale kosten van vermogensbeheer bedroegen in 2016 € 804 miljoen, 45,5 basispunten ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen. De kosten verschillen sterk per beleggingscategorie. De meest liquide beleggingscategorieën – zoals aandelen en staatsobligaties – hebben de laagste kosten. Zij worden gevolgd door andere verhandelbare beleggingen, zoals bedrijfsobligaties, high yield en emerging markets debt. Voor private beleggingen zijn de kosten het hoogst. De kosten zijn toegelicht in het hoofdstuk 'Pensioenfonds in bedrijf'.

    Performance

    Een vergelijking van het nettorendement per beleggingscategorie met de benchmark geeft inzicht in de performance per beleggingscategorie. Deze performance is niet alleen afhankelijk van de keuzes van de portefeuillebeheerder, maar ook van diens vrijheid af te wijken van de benchmark. Een portefeuillebeheerder die de opdracht heeft om de benchmark grotendeels te volgen, laat hooguit een beperkte out- of underperformance zien. In 2016 bedroeg de outperformance van de gehele portefeuille 0,3%.

    Aan de positieve kant werd de outperformance vooral gedreven door de resultaten van privaat vastgoed en vastrentende waarden. Bij privaat vastgoed speelde vooral het selectie-effect, de specifieke keuze voor bepaalde beleggingen, een belangrijke rol. De impact van een afwijkende regioverdeling in vergelijking met de benchmark was  beperkt. Binnen vastrentende waarden werd de outperformance voornamelijk gerealiseerd omdat beleggingen in staatsobligaties worden gewaardeerd op basis van de staatsrente. Die daalde harder dan de swaprente waartegen de verplichtingen worden gewaardeerd.   

    Aan de negatieve kant werd de outperformance vooral bepaald door de resultaten van beursgenoteerd vastgoed en private equity. Het rendement op beursgenoteerd vastgoed bleef 3% achter bij dat van de benchmark. Dit werd onder meer veroorzaakt doordat in vergelijking met de benchmark meer werd belegd in het Verenigd Koninkrijk. Juist vastgoed in deze regio had het zwaar na de keus voor een Brexit. Het omgekeerde gold juist voor Japanse vastgoedfondsen (REITs). Hierin werd relatief weinig belegd, terwijl deze beleggingen wisten te profiteren van grotere aankopen door de Japanse centrale bank.

    Z-score en performancetoets

    De performancetoets is door de wetgever bedoeld om de kwaliteit van de uitvoering van het beleggingsbeleid te meten. Deze wordt berekend op basis van de Z-scores van vijf opeenvolgende jaren. De Z-score is een voor kosten en risico gecorrigeerde (outperformance-)maatstaf waarbij het rendement van de portefeuille wordt vergeleken met het rendement van de vooraf vastgestelde normportefeuille. Als de performancetoets niet wordt gehaald, vervalt de verplichtstelling voor de werkgevers die bij PFZW zijn aangesloten. PFZW voldoet aan de performancetoets aangezien de score hoger is dan (1,28).

    Onderstaande tabel geeft de Z-score en de performancetoets van de afgelopen vijf jaar weer.

    Z-score en performancetoets 2012-2016

    Jaar

    Z-score

    Performancetoets

    2012

    0,68

    -0,07

    2013

    1,02

    1,37

    2014

    0,91

    1,88

    2015

    1,34

    2,08

    2016

    1,30

    2,35

    In 2016 lag het netto rendement op de feitelijke portefeuille 2,3% hoger dan op de normportefeuille. Gecorrigeerd voor kosten en risico komt PFZW over 2016 op een Z-score van +1,30. De Z-scores vanaf 2012 bepalen de performancetoets tot en met 2016. De performancetoets komt uit op een score van +2,35 en het pensioenfonds slaagt daarmee voor de performancetoets.

    Aansluiting op de jaarrekening