Kosten

Inleiding

Het Pensioenfonds vindt kostenbeheersing belangrijk. Deelnemers vragen om transparantie en PFZW wil daarin vooroplopen. PFZW doet mee aan diverse benchmark-initiatieven. Op een uniforme manier presenteren is essentieel voor de vergelijkbaarheid. PFZW volgt daarom de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.

In de aanbevelingen wordt een onderscheid gemaakt in kosten van het pensioenbeheer, kosten van het vermogensbeheer en transactiekosten.

Doelstellingen

De kosten van het pensioenbeheer drukken we uit in kosten per deelnemer. Het aantal deelnemers is in de richtlijn de optelling van premiebetalende deelnemers en pensioengerechtigde deelnemers. PFZW heeft als ambitie dat rond 2020 de kosten per deelnemer lager dan € 60,- zijn. Om deze doelstelling te halen zijn we gestart met een programma van initiatieven en maatregelen. Gezien de lager dan verwachte groei van het aantal deelnemers en de noodzakelijke investeringen in automatisering is deze doelstelling uitdagend.

De kosten van het vermogensbeheer worden uitgedrukt als een percentage van het gemiddelde belegde vermogen. Voor vermogensbeheer is het doel de kosten terug te brengen tot onder de 0,50% van het gemiddelde belegde vermogen. In 2016 is deze doelstelling gerealiseerd. Sinds 2013 zijn de kosten van het vermogensbeheer exclusief transactiekosten met 25% gedaald.

PFZW streeft naar het beperken van de transactiekosten. Om dit te realiseren wordt onder meer bij het inrichten en uitvoeren van het herbalanceringsbeleid zo veel als mogelijk rekening gehouden met het terugbrengen van het aantal transacties. 

Kosten pensioenbeheer

Het aantal slapers en pensioengerechtigden stijgt al enkele jaren. Met de kosten van slapers wordt in de doelstelling geen rekening gehouden. Het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van deelnemers brengt veel administratieve handelingen met zich mee. Wel nam het aantal actieve deelnemers in 2016 voor het eerst weer iets toe. Desondanks is dit alles ongunstig voor de ontwikkeling van de kosten per deelnemer. Verdergaande automatisering is essentieel om de doelstelling te kunnen realiseren.

De kosten van de uitvoering van de pensioenregeling bedragen € 106 miljoen. In 2015 was dit € 107 miljoen. Per deelnemer bedragen de kosten in 2016 € 67,90 (2015: €69,40).

Kosten vermogensbeheer exclusief transactiekosten

Er is veel aandacht voor de kosten die pensioenfondsen maken voor het beheer van hun vermogen, en dat geldt ook voor PFZW. Kosten bij vermogensbeheer zijn relevant omdat de beleggingsportefeuille groot is. Er is vaak sprake van dienstverlening door derde partijen. Daarnaast gaat het, ook in relatie tot de kosten van pensioenadministratie, om grote bedragen.

Vijf aspecten van het beleggingsbeleid bepalen in hoge mate de kosten van vermogensbeheer:

  1. beleggingsmix

  2. schaalgrootte

  3. de mate van actief of passief beheer

  4. de mate van intern of extern beheer

  5. directe of indirecte belegging

Het doel is om de kosten te verminderen met behoud van het rendement. In de besluitvorming over de beleggingsmix wordt wel rekening gehouden met de kosten, maar aanpassing van de beleggingsmix omwille van kostenverlaging is geen doel op zich. De schaalgrootte is voor PFZW een gegeven. De andere aspecten zijn stuurbaar. Zo is het aandeel indirecte beleggingen van PFZW, zoals deelnemingen, joint-ventures en participaties in beleggingsfondsen (met uitzondering van de beleggingsfondsen van de uitvoeringsorganisatie), binnen de private markten de afgelopen jaren gedaald. Het aandeel directe beleggingen (zoals projecten met één of meerdere mede-investeerders) is binnen de private markten gestegen. Hierbij speelden kosten een belangrijke rol.

De absolute kosten kennen een duidelijke relatie met de omvang van de beleggingsportefeuille. In 2016 steeg het gemiddeld belegd vermogen met € 8 miljard. De kosten van het vermogensbeheer, exclusief transactiekosten, daalden desondanks van € 813 miljoen in 2015 naar € 804 miljoen in 2016.

Als percentage van het gemiddeld belegd vermogen zijn de kosten exclusief transactiekosten gedaald van 0,48% in 2015 naar 0,46% in 2016. PFZW voldoet daarmee aan de eigen doelstelling, dat de kosten van het vermogensbeheer exclusief transactiekosten minder zijn dan 0,50% van het gemiddeld belegd vermogen.

Deze kostendaling is voor een groot deel te verklaren uit een daling van de prestatieafhankelijke vergoeding. Wijzigingen in de beleggingsmix hadden juist een kostenverhogend effect.

Met behulp van kostenbenchmarks worden pensioenfondsen met elkaar vergeleken. Nadeel van benchmarks is dat deze vaak een jaar achterlopen op de verslagperiode. Daarnaast vindt PFZW het belangrijk dat rekening wordt gehouden met de schaalgrootte. PFZW doet mee aan de wereldwijde benchmarkvergelijking van Cost Effectiveness Measurement (CEM). De peergroep waarmee PFZW voor het vermogensbeheer wordt vergeleken, bestaat uit internationale pensioenfondsen van vergelijkbare grootte, waarbij de opbouw van de beleggingsmix relatief meeweegt in de vergelijking van de kosten. De kosten van het vermogensbeheer van PFZW liggen volgens de laatst beschikbare CEM (2015) 4,2 basispunten onder de benchmark. Deze afwijking van de benchmark heeft verschillende oorzaken. Belangrijke factor zijn de in verhouding tot de peergroep relatief lage kosten voor extern vermogensbeheer. Vergeleken met de Nederlandse pensioenfondsen uit de peergroep waren de prestatieafhankelijke vergoedingen voor PFZW relatief lager.

Conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie maakt PFZW gebruik van schattingen om de totale kosten van het vermogensbeheer inzichtelijk te maken. Voor de bepaling van de kosten hanteert PFZW het ‘look through’ principe. Hierbij worden de kosten voor vermogensbeheer en transactiekosten van beleggingen voor PFZW via beleggingsfondsen of zogeheten fund of funds meegenomen in de totale kosten. Deze beleggingsstructuren hinderen het zicht op de totaal gemaakte kosten daardoor niet. Van alle beleggingskosten is 72% niet direct zichtbaar en op basis van ‘look through’ tot stand gekomen. Ongeveer 10% van de kosten is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves. De beheerders van beleggingen in private markten rapporteren de daadwerkelijke kosten met een vertraging van een kwartaal. 

Het beoogde rendement en het risico moeten in relatie staan tot de kosten van het vermogensbeheer. Het langjarig rendement is daarom van belang bij het beoordelen van het kostenniveau en de keuze van de beleggingsmix. Verder zijn de kosten van vermogensbeheer mede afhankelijk van de verdeling tussen private markten en publieke markten. Beleggingen op private markten maken ongeveer 20% van de beleggingsmix uit. De private markten zijn verantwoordelijk voor 87% van alle kosten.

PFZW is van mening dat betere rendementen van private beleggingen opwegen tegen de hogere kosten. De kosten van private beleggingen beheerst PFZW door te kiezen voor directe beleggingen en co-investeringen. Daarbij maakt PFZW gebruik van kosten- en beleggingsbeleidsmodellen die leidend zijn bij uitbesteding aan derden. Beleggingen in fondsstructuren zijn over het algemeen duurder en worden zoveel mogelijk vermeden.

De onderstaande tabel geeft de kosten vermogensbeheer exclusief transactiekosten per beleggingscategorie weer.

De allocatie naar de beleggingscategorieën Infrastructuur en Privaat vastgoed, die een relatief hoog kostentarief hebben, is op basis van het gemiddeld belegd vermogen met respectievelijk 14,2% en 3,7% gestegen. Daar staat onder andere een daling met 6,7% van de allocatie naar Aandelen, een beleggingscategorie met een aanzienlijk lager kostentarief, tegenover. Deze mutaties binnen de beleggingsmix hadden in 2016 een drukkend effect op de eerder aangegeven absolute en relatieve daling van de kosten van vermogensbeheer.

PFZW maakt onderscheid in kosten op het niveau van beheervergoeding, prestatieafhankelijke vergoeding en de transactiekosten.

Beheervergoeding

De vergoedingen voor het beheer van de beleggingen zijn gebaseerd op geïnvesteerde of toegezegde bedragen. Onder beheervergoeding vallen ook de vaste overeengekomen vergoedingen, bewaarloon en overige kosten.

De totale beheervergoeding bedroeg in 2016 € 531 miljoen. Dit is 0,30% van het gemiddeld belegd vermogen. In 2015 was de totale beheervergoeding € 513 miljoen en was dit 0,31% van het gemiddeld belegd vermogen.

Binnen Krediet is de beleggingscategorie Hypotheken, met een relatief hoge beheervergoeding, in omvang uitgebreid. Lagere beheervergoedingen voor Structured credit en Emerging markets debt local currency dan in het voorgaande jaar, deden de beheervergoeding voor Krediet zowel relatief als absoluut dalen.

Prestatieafhankelijke vergoeding

In sommige gevallen worden er prestatieafhankelijke vergoedingen afgesproken met externe vermogensbeheerders. De vergoeding is afhankelijk van de prestatie van de specifieke beleggingsportefeuilles.

Een belangrijke reden voor de lagere kosten van het vermogensbeheer is de lagere prestatieafhankelijke vergoeding. De prestatieafhankelijke vergoeding bedraagt in 2016 € 273 miljoen (2015: € 300 miljoen). 

De volgende tabel laat de totale kosten zien van het vermogensbeheer, exclusief de transactiekosten, tegenover het rendement. De netto- en brutorendementen per beleggingscategorie worden weergegeven in de toelichtende paragraaf op de beleggingsresultaten. De tabel laat zien dat het samengestelde rendement niet direct te koppelen is aan de totale prestatieafhankelijke vergoeding.

Totale kosten vermogensbeheer (excl. transactiekosten) in % t.o.v. gemiddeld belegd vermogen

 

2016

2015

2014

2013

2012

Totale kosten vermogensbeheer incl.

     

prestatieafhankelijke vergoeding in %

0,46%

0,48%

0,54%

0,61%

0,57%

Prestatieafhankelijke vergoeding in %

0,16%

0,18%

0,22%

0,23%

0,16%

Netto rendement na kosten

12,0%

(0,1%)

15,5%

3,7%

13,4%

Benchmark rendement na kosten

11,6%

(1,1%)

15,2%

3,8%

10,9%

De hoogte van deze prestatieafhankelijke vergoeding hangt namelijk onder meer af van de verschillende performance fee structuren bij externe vermogensbeheerders van onderliggende beleggingsfondsen. Dit kan betekenen dat het totale rendement van de beleggingscategorie laag is, maar doordat enkele externe vermogensbeheerders, bijvoorbeeld vergeleken met de benchmark, wel een hoog rendement hebben behaald moet er alsnog een prestatieafhankelijke vergoeding worden betaald. Daarnaast speelt ook het moment van de realisatie of reserveringen van de performance fee per externe manager een rol. Hierdoor zijn behaalde rendementen en prestatieafhankelijke vergoedingen niet aan elkaar te koppelen.

De hoogte van de prestatieafhankelijke vergoeding is in 2016 vergeleken met 2015 zowel relatief ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen als absoluut gedaald. De verschillende beleggingscategorieën vertonen hierin een wisselend beeld. Private equity laat een daling van de prestatieafhankelijke vergoeding zien, terwijl de vergoeding voor Overige zakelijke waarden is gestegen.

Private equity heeft over 2016 een netto rendement van 14,6% en een underperformance ten opzichte van de benchmark gehaald. Zoals hiervoor aangegeven gaat het om gemiddelden, in dit geval van een groot aantal externe vermogensbeheerders. Daarbij spelen specifieke performance fee afspraken en het moment van realisatie en reserveren van de vergoeding voor de afzonderlijke beleggingen ook een rol. De prestatieafhankelijke vergoeding is hierdoor niet direct aan het behaalde rendement binnen Private equity te koppelen.

Voor een belegging binnen Overige zakelijke waarden is een reservering opgenomen voor een prestatieafhankelijke vergoeding. Deze had betrekking op eerdere jaren. In dit geval is het rendement binnen deze beleggingscategorie niet direct aan het moment van reserveren van deze vergoeding te koppelen.

De categorie High yield en loans ontwikkelde markten heeft negatieve kosten voor de prestatieafhankelijke vergoeding. Voor een externe manager was in 2015 een bedrag gereserveerd aan prestatieafhankelijke vergoeding. Het uiteindelijk te betalen bedrag viel lager uit, waardoor inclusief de voorziening voor 2016 een negatief bedrag aan prestatieafhankelijke vergoeding wordt gerapporteerd.  

Transactiekosten

Transactiekosten vormen een aparte kostensoort. De omvang wordt bepaald door de aard en de omvang van de beleggingstransacties. De transactiekosten zijn hierdoor tussen pensioenfondsen onderling lastig te vergelijken.

In 2016 zijn de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gewijzigd. Door deze wijziging rapporteert PFZW de transactiekosten anders dan voorheen. Vóór 2016 werd geen doorkijk toegepast voor de transactiekosten, als een fonds in- en uitstapkosten in rekening bracht. De onderliggende transactiekosten worden vanaf 2016 wel inzichtelijk gemaakt ongeacht of het beleggingsfonds in- en uitstapkosten in rekening brengt. De vergelijkende 2015 cijfers zijn in deze paragraaf op basis van de nieuwe methodiek herrekend en gepresenteerd.

De transactiekosten bedroegen in 2016 € 181 miljoen, wat neerkomt op 10,3 basispunten van het gemiddeld belegd vermogen. In 2015 was dit 10,8 basispunten van het gemiddeld belegd vermogen. De transactiekosten zijn door de afhankelijkheid van de omvang en het volume wat in een jaar wordt verhandeld lastig met elkaar te vergelijken.

Transactiekosten per beleggingscategorie

  

(bedragen x € 1 miljoen)

  
 

2016

2015*

Zakelijke waarden

51,7

62,8

Grondstoffen

12,1

17,3

Krediet

66,9

43,2

Vastrentende waarden

50,3

58,7

Totale transactiekosten

181,0

182,0

  • *Vergelijkende cijfers zijn herrekend en gepresenteerd op basis van de op 2016 toegepaste methodiek.

PFZW onderscheidt drie categorieën:

  • in- en uitstapkosten bij beleggingsfondsen

  • aan- en verkoopkosten bij directe belegging in beleggingstitels 

  • acquisitiekosten.

PFZW belegt voor een groot deel in beleggingsfondsen van de uitvoeringsorganisatie. Hierbij worden in- en uitstapkosten in rekening gebracht. Deze geven een indicatie van de kosten die de vermogensbeheerders van deze beleggingsfondsen maken om financiële producten binnen het beleggingsfonds te kopen of verkopen. Voor de in- en uitstapkosten wordt jaarlijks een percentage vastgesteld op basis van een schatting van de te maken transactiekosten.

De aan- en verkoopkosten bij directe belegging in beleggingstitels tellen drie componenten:

  • brokerage fees voor het verwerken van transacties

  • spread (transactiekosten die zijn begrepen in de transactieprijs en moeten worden geschat, bijvoorbeeld op basis van het verschil tussen de bied- en laatkoers) voor diverse kosten en winstopslagen bij de tussenpersoon

  • het verwerken en registreren van transacties in de administratie van vermogensbeheerders.

De aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels bedroegen in 2016 € 154 miljoen. Voor vastrentende waarden en derivaten worden de transactiekosten geschat op basis van de spread, het verschil tussen de bied- en laatkoersen. Dit verschil kan niet voor elke individuele transactie worden bepaald. PFZW schat het op basis van transactiekarakteristieken (rating, looptijd, volume, regio en valutaparen).

De acquisitiekosten bedroegen in 2016 € 29 miljoen. Deze hebben betrekking op directe transacties in illiquide beleggingen. Belangrijke component zijn de kosten van adviseurs.

Het totaal van de kosten van het vermogensbeheer en transactiekosten, kwam in 2016 op € 985 miljoen (2015: € 996 miljoen). Dit was 55,8 basispunten van het gemiddeld belegd vermogen voor 2016 (2015: 59,1 basispunten).

  • *Transactiekosten zijn herrekend en gepresenteerd op basis van de op 2016 toegepaste methodiek.

Aansluiting jaarrekening

Voor de kosten in de jaarrekening volgt PFZW de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. De jaarrekening bevat daarom alleen de kosten die direct bij PFZW in rekening zijn gebracht of nog worden gebracht. In de verantwoording door het bestuur worden - conform de Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie - ook de indirecte kosten meegenomen. De indirecte vermogensbeheer- en transactiekosten maken in de jaarrekening onderdeel uit van de waardeverandering van de beleggingen en hebben daardoor invloed op het behaalde rendement. Daarom zijn de totale kosten van het vermogensbeheer in de jaarrekening lager. Bovendien wordt expliciet onderscheid gemaakt tussen vermogensbeheerkosten en transactiekosten.

(bedragen x € 1 miljoen)

Vermogens-

   
 

gerelateerd

Performance

  
 

(excl. Performance

gerelateerde

Transactie-

 
 

gerelateerd)

vergoedingen

kosten

Totaal

     

Beheervergoedingen

(37,2)

2,9

-

(34,3)

Bewaarloon

2,2

-

-

2,2

Overige kosten

4,9

-

-

4,9

     

Directe kosten, opgenomen in de jaarrekening

(30,1)

2,9

-

(27,1)

Indirecte kosten, onderdeel van de waardeveranderingen van beleggingen

560,7

270,1

181,0

1.011,8

     

Totale vermogensbeheerkosten en transactiekosten

530,6

273,0

181,0

984,7