15.2 Risico’s

De risico’s S1 tot en met S5 en S10 betreffen marktrisico. Marktrisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen en de verplichtingen als gevolg van onzekerheid in marktprijzen, zoals aandelenkoersen en het niveau van de rentetermijnstructuur. Marktrisico is een bewust genomen risico, het rendement op risicovolle beleggingen draagt bij aan de financiering van de indexeringsambitie.  Daarbij is de beleggingsstrategie en het overeenkomstige risico afgestemd op de pensioenverplichtingen, onder andere door een weloverwogen spreiding van de beleggingen over categorieën, regio's, sectoren, bedrijven en tegenpartijen.

Renterisico (S1)

Renterisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen en de verplichtingen als gevolg van onzekerheid in de ontwikkeling van de rentetermijnstructuur.

In de beleggingsstrategie wordt gestreefd naar een optimale afstemming van het renterisico in de verplichtingen en de beleggingen. Het strategische afdekkingspercentage per eind 2017 voor het nominale renterisico van PFZW bedraagt 33,3% van de getransformeerde kasstromen van de verplichtingen. De afdekking wordt ingevuld met staatsobligaties en renteswaps. Het renterisico wordt gedeeltelijk afgedekt, hiermee behoudt PFZW de ruimte om dekkingsgraadherstel te realiseren bij een mogelijke toekomstige rentestijging. Als de rente daalt leidt de niet volledige afdekking echter tot een lagere dekkingsgraad.

In de renteafdekking wordt bij de verdeling over looptijden rekening gehouden met marktliquiditeit en systeemrisico's. Het uitgangspunt hierbij is dat de totale rentegevoeligheid ongewijzigd blijft.

In het vereist eigen vermogen wordt bij de bepaling van het renterisico een looptijdafhankelijke schok toegepast die oploopt voor langere looptijden. Het toepassen van deze schok leidt tot een daling van de dekkingsgraad met ongeveer 6%.

De volgende tabel toont de gevoeligheid van de rentehedge, de vastrentende waarde en de technische voorziening voor een parallelle renteschok van +1 en -1 procentpunt. Dit leidt tot veranderingen in de dekkingsgraad.

De technische voorziening is gevoelig voor een verandering van de rente. Een daling van de nominale rente met één procentpunt leidt tot een stijging van de technische voorziening van ongeveer € 41 miljard. Door de rentehedge en de beleggingen in vastrentende waarden wordt deze stijging ten dele gecompenseerd doordat de waarde daarvan met ongeveer € 18 miljard toeneemt. Daardoor blijft de daling van de dekkingsgraad beperkt tot ongeveer 10 procentpunt. Hier tegenover staat dat bij een stijging van de rente de stijging van de nominale dekkingsgraad ook gedempt wordt.

Gevoeligheid op nominale rente

  

Stand

  

(bedragen x € 1 miljard)

-

1%

31-12-17

+

1%

      

Rente- en inflatiehedge

     

Derivaten

 

26,5

13,7

 

3,6

Overig

 

42,9

39,3

 

36,3

      

Overig vastrentende waarden

 

29,2

27,7

 

26,3

Totaal vastrentende waarden

 

98,6

80,7

 

66,2

      

Technische voorziening

 

236,3

195,3

 

162,9

      

Nominale dekkingsgraad

 

91%

101%

 

112%

    Zakelijke waarden risico (S2)

    Zakelijke waarden risico is het aandelen- en vastgoedrisico. Dit risico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als gevolg van onzekerheid in de marktprijzen. Ook de categorieën infrastructuur, insurance, en private equity vallen onder aandelen- en vastgoedrisico. Het is, in lijn met de beleggingsstrategie, nadrukkelijk niet de bedoeling dit risico te minimaliseren. Toch wordt dit risico wel beheerst, met als belangrijkste beheersmaatregel een weloverwogen spreiding van de onderliggende beleggingen over landen en sectoren.

    Omdat de strategische beleggingsmix voor een groot deel (51%) uit zakelijke waarden bestaat, is de dekkingsgraad gevoelig voor veranderingen in koersen van aandelen en vastgoed. Zo geeft een daling van de koersen van zakelijke waarden conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schokken een daling van de (actuele) dekkingsgraad van ongeveer 15 procentpunt.

    De verdeling van de zakelijke waarden over de categorieën conform strategische beleggingsmix is als volgt:

    Het grootste deel van deze beleggingen zijn aandelen in ontwikkelde markten inclusief beursgenoteerd vastgoed (S2A). De schok op deze beleggingen is 30%.

    Valutarisico (S3)

    Valutarisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als gevolg van onzekerheid in de valutakoersen.

    In het strategische beleggingsbeleid van PFZW wordt valutarisico gedeeltelijk afgedekt door middel van termijncontracten en swaps. De exposures naar Amerikaanse dollars en Japanse yennen worden voor 70% afgedekt. De exposures naar  Australische dollars, Canadese dollars, Hong Kong dollars, Britse ponden en Zwitserse franken worden voor 100% afgedekt. De exposures naar de kleinere valuta’s binnen ontwikkelde markten worden niet afgedekt. Ook de exposures naar valuta's van opkomende landen worden niet afgedekt.

    De totale vreemde valutapositie bedroeg ultimo 2017 € 101 miljard (2016: € 102 miljard), waarvan ongeveer € 41 miljard (2016: € 37 miljard) niet was afgedekt. 

    Eind 2017 bedraagt de strategische afdekking van het valutarisico op de US dollar en op de Japanse yen 70 procent. Door deze afdekking ontstaan meer eurobeleggingen en nemen de risico's op beleggingen in vreemde valuta af.

    2017

    Beleggingen

      
     

    in vreemde

    Valuta-

    Netto-

     

    valuta

    derivaten

    positie

    (bedragen x € 1 miljard)

       
        

    US dollar

    56,8

    (39,8)

    17,0

    Japense yen

    6,1

    (4,3)

    1,8

    Zwitserse frank

    1,8

    (1,9)

    (0,1)

    Britse pond

    6,7

    (6,7)

    -

    Canadese dollar

    2,2

    (2,2)

    -

    Australische dollar

    3,1

    (3,0)

    0,1

    Hongkong dollar

    2,1

    (2,1)

    -

    Overige G14-valuta

    4,0

    -

    4,0

    Overige valuta

    18,1

    -

    18,1

    Subtotaal vreemde valuta

    100,9

    (60,0)

    40,9

    Euro

    96,3

      

    Reële waarde valuta swaps

    -

      

    Totaal beleggingen

    197,2

      

      Omdat het valutarisico conform beleid niet volledig is afgedekt, is de dekkingsgraad gevoelig voor veranderingen in de valutakoersen. Een daling in de koersen, conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schok, ten opzichte van de euro geeft op basis van de feitelijke afdekking een daling van de nominale dekkingsgraad van 4 procentpunt. Deze schok bedraagt 20% voor ontwikkelde landen en 35% voor opkomende landen.

      Grondstoffenrisico (S4)

      Grondstoffenrisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als gevolg van onzekerheid over de marktprijzen van de grondstoffen.

      Het risicoprofiel van grondstoffen bij PFZW komt sinds 1 januari 2015 niet meer overeen met het profiel in het standaardmodel van DNB. De benchmark zoals vastgelegd in het strategisch beleggingsbeleid 2018 bestaat namelijk alleen uit oliegerelateerde grondstoffen. Een benchmark die alleen belegt in de oliesector is risicovoller dan een benchmark waarin gespreid belegd wordt over meerdere sectoren. Daarom wordt voor grondstoffenrisico uitgegaan van een schok van 55%, dit is hoger dan de schok van 35% in het standaardmodel. De in het vereist eigen vermogen gebruikte schok op grondstoffen leidt tot een daling van de dekkingsgraad met 3 procentpunt.

      Kredietrisico (S5)

      Kredietrisico is de mogelijke impact op de waarde van de beleggingen als de kredietwaardigheid van tegenpartijen verslechtert, waardoor de kans toeneemt dat ze niet aan de contractuele verplichtingen kunnen voldoen. Het gaat hier voornamelijk om obligaties, leningen en hypotheken. Ook de categorie structured credit valt onder S5.

      De dekkingsgraad is gevoelig voor kredietrisico. Een stijging van de credit spreads conform de in de bepaling van het VEV gebruikte schok geeft een daling van de dekkingsgraad met 3 procentpunt. De omvang van de op te leggen kredietschok hangt af van de kredietwaardigheid van de beleggingen. Hoe lager de kredietwaardigheid, hoe hoger de schok.

      In onderstaande grafiek wordt een aanvullende specificatie van de ratingverdeling van de portefeuille vastrentende waarden:

      Verzekeringstechnisch risico (S6)

      Verzekeringstechnisch risico is de mogelijke impact op de waarde van de pensioenverplichtingen als gevolg van onzekerheid in de actuariële grondslagen. Langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico voor PFZW dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld wordt verondersteld. Bij de bepaling van de voorziening wordt al rekening gehouden met de verwachte verhoging van de levensverwachting zoals deze door het Actuarieel Genootschap (AG-prognosetafel 2016) wordt voorspeld. Ook wordt er rekening mee gehouden dat deelnemers van PFZW gemiddeld langer leven dan de Nederlandse bevolking (ervaringssterfte).

      Er is een hoge mate van onzekerheid rond de levensverwachting. Dat komt doordat 100 jaar vooruit wordt gekeken.

      Bij de berekening van het Vereist Eigen Vermogen (VEV) wordt een schok op de voorziening gedaan zoals beschreven in de handreiking van DNB. Toepassing van deze schok leidt tot een bijna 4 procentpunt lagere dekkingsgraad.

      Liquiditeitsrisico (S7)

      Liquiditeitsrisico is het risico dat PFZW in tijden van stress niet over voldoende liquide financiële middelen beschikt om te voldoen aan de betalingsverplichtingen. Hierbij kan worden gedacht aan de pensioenuitkeringsverplichtingen of onderpandverplichtingen bij derivatenposities voor de uitvoering van de risicoafdekkingstrategieën binnen het beleggingsbeleid.

      Ter beheersing van het liquiditeitsrisico bewaakt PFZW de verhouding tussen de liquiditeitsbehoefte en de beschikbare liquiditeit in een sterk negatief stressscenario. Om adequaat te kunnen reageren is de stuurbaarheid in het belegd vermogen van belang. De stuurbaarheid is gedefinieerd als de mate waarin de verschillende beleggingscategorieën binnen de strategische bandbreedtes blijven. PFZW investeert een substantieel deel van het vermogen in illiquide beleggingen die goed aansluiten bij het langetermijnkarakter van pensioenen, maar waarbij beperkingen bestaan ten aanzien van het vroegtijdig terugbrengen van de omvang van deze beleggingen. Om te voorkomen dat deze illiquide beleggingen de stuurbaarheid verminderen, wordt in het herbalanceringsbeleid expliciet rekening gehouden met de posities in illiquide beleggingen.

      Door genoemde beheersmaatregelen kan de impact van het liquiditeitsrisico op de omvang van het Vereist Eigen Vermogen als nihil worden beschouwd.

      Concentratierisico (S8)

      Concentratierisico is het risico dat ontstaat als een adequate spreiding van activa of passiva ontbreekt.

      PFZW heeft een beleggingsstrategie met een weloverwogen spreiding van de beleggingen over categorieën, regio’s, sectoren en bedrijven. Ook het deelnemersbestand is divers, met een zeer groot aantal deelnemers en een spreiding over de verschillende leeftijdscohorten. Het risico is daarmee beperkt.

      Daarom wordt bij het bepalen van het vereist eigen vermogen geen buffer voor dit risico aangehouden.

      Operationeel risico (S9)

      Operationeel risico betreft het risico dat ontstaat als gevolg van het falen of tekortschieten van interne processen, menselijke en technische tekortkomingen en onverwachte externe gebeurtenissen.

      PFZW heeft in de afgelopen jaren stappen gezet richting een meer volwassen risicomanagement. Onder meer door de ontvangst van Standaard (ISAE)3402 en 3000-rapportages met betrekking tot de beheersing van interne processen bij pensioenbeheer en vermogensbeheer wordt het financieel operationeel risico gemanaged. Daarom wordt bij het bepalen van het vereist eigen vermogen geen buffer voor dit risico aangehouden.

      Risico actief beheer (S10)

      Het actief beheer risico heeft betrekking op de ruimte om bij de uitvoering van het beleggingsbeleid af te wijken van de strategisch nagestreefde portefeuille.

      De risico-opslag voor actief beheer is gebaseerd op de tracking errors van de portefeuilles binnen beursgenoteerde aandelen en beursgenoteerde vastgoed. Portefeuilles waarvan de tracking errors kleiner dan 1% (passief beheer) worden in lijn met de richtlijnen voor S10 buiten beschouwing gelaten. Voor de overige beleggingsportefeuilles is actief beheer conceptueel niet goed toepasbaar of wordt het actieve risico in belangrijke mate ondervangen indien het doorkijkbeginsel goed wordt toegepast.

      Slechts een beperkt deel van de beursgenoteerde aandelen- en vastgoedportefeuilles kent actief beheer. De allocaties naar de categorieën Beleggingen in oplossing aandelen en Alternatieve aandelenstrategieën hebben een tracking error groter dan 1%. De toegepaste schok voor actief beheer leidt tot een daling van de dekkingsgraad met minder dan een procentpunt.