Financiële ontwikkelingen 2017

Ontwikkeling dekkingsgraden

Het vereist eigen vermogen (VEV) is het vermogen dat nodig is om de verwachte risico’s binnen een jaar op te kunnen vangen. De vereiste dekkingsgraad is de dekkingsgraad die bij het VEV hoort. De vereiste dekkingsgraad per eind 2017 is 124,8%. De minimaal vereiste dekkingsgraad is de dekkingsgraad waar de beleidsdekkingsgraad in het financieel toetsingskader (FTK) niet langer dan zes achtereenvolgende jaareinden onder mag liggen (dekkingstekort). De minimaal vereiste dekkingsgraad is per eind 2017 104,3%.

De actuele dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen en de waarde van de pensioenverplichtingen. Deze drukt uit in hoeverre wij naar verwachting in de toekomst aan onze verplichtingen kunnen voldoen.

De actuele dekkingsgraad van 95,2% per eind december 2016 is gestegen naar 101,1% per eind december 2017. De toename is zowel het gevolg van de gestegen rente als van het rendement.

De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de actuele dekkingsgraden van de laatste twaalf maanden. In 2017 is de beleidsdekkingsgraad gestegen van 90,1% naar 98,6%.

In het FTK is de beleidsdekkingsgraad een belangrijke maatstaf voor de financiële sturing van PFZW, bijvoorbeeld om te bepalen of wij de pensioenen kunnen aanpassen aan de prijsontwikkeling.

De reële dekkingsgraad is de dekkingsgraad die rekening houdt met toekomstige prijsinflatie en geeft aan of we naar verwachting in de toekomst de pensioenen kunnen indexeren. De reële dekkingsgraad is in 2017 gestegen van 73,4% naar 79,7%.

Actualisatie herstelplan

Omdat de beleidsdekkingsgraad lager was dan vereist, hebben we medio 2015 een herstelplan bij DNB ingediend. Daaruit bleek dat we naar verwachting binnen tien jaar de vereiste beleidsdekkingsgraad bereiken. Elk jaar bekijkt het bestuur of het herstel binnen een termijn van tien jaar kan worden gehaald. Als de actuele dekkingsgraad lager is dan 88%, is het volgens het herstelplan niet mogelijk om binnen tien jaar te herstellen. Dit wordt ook wel de kritische dekkingsgraad genoemd; de exacte hoogte hiervan is mede afhankelijk van het niveau van de rente. Als de actuele dekkingsgraad onder de kritische dekkingsgraad zakt, moeten we de premie verhogen en/of de pensioenen verlagen.

Op basis van de situatie per eind 2017 hebben wij in maart 2018 een geactualiseerd herstelplan ingediend bij DNB. Hieruit blijkt dat er in 2018 geen aanvullende maatregelen nodig zijn.

Daarnaast moeten we de pensioenen verlagen als de beleidsdekkingsgraad zes jaareinden achtereen lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad (104,3%). Eind 2017 bedroeg de beleidsdekkingsgraad 98.6%. De komende jaren is dekkingsgraadherstel nodig om een verlaging van pensioenen te voorkomen. Dit is het derde jaar achtereen dat de beleidsdekkingsgraad onder deze grens ligt. Als de beleidsdekkingsgraad tot en met eind 2020 onder de minimaal vereiste dekkingsgraad blijft, moeten we de pensioenen verlagen.

Het bestuur heeft eind 2017 besloten om de pensioenen niet te indexeren. De beleidsdekkingsgraad is daarvoor te laag. Ook de komende jaren verwachten we dat er niet of beperkt geïndexeerd kan worden. Gedeeltelijke indexatie mag pas als de beleidsdekkingsgraad boven de 110% ligt.

Pensioenpremie 2017 en de Pensioenwet

In 2017 was de pensioenpremie voor de collectieve pensioenregeling - net als in 2016 23,5% van het salaris boven de franchise. Hiervan was 22,4% voor de reguliere pensioenopbouw en 1,1% voor de inkoop van compensatierechten (VPL-regeling). Vanaf 2015 is de premie voor compensatierechten hoger dan de in een betreffend jaar in te kopen rechten. Op deze manier kunnen we deze rechten in 2020, als het restant van deze rechten moet worden ingekocht, financieren.

Jaarlijks bekijken we achteraf of de reguliere pensioenpremie volgens de Pensioenwet voldoende was.

De premie in het FTK moet hoger zijn dan de kostendekkende premie. Dat kan op twee manieren:

  • gedempt: op basis van het verwacht rendement, gecorrigeerd voor de indexeringsambitie (in 2017 was dit de prijsinflatie)

  • ongedempt: op basis van de actuele rente op 1 januari 2017

PFZW toetst de kostendekkendheid van de premie op basis van de gedempte premie, omdat die meer stabiliteit geeft. De gedempte kostendekkende premie over 2017 was 16,3%. De ongedempte kostendekkende premie bedroeg 33,9%. In 2017 was de pensioenpremie hoger dan de gedempte premie. Hiermee voldoen we aan de eisen van de Pensioenwet. 

  

Gedempte
kostendekkende
premie

 

Ongedempte
kostendekkende
premie

Pensioenopbouw actieven

8,9%

 

25,3%

 

Premievrije pensioenopbouw AO-ers

0,4%

 

1,1%

 

Ingang Partnerpensioen op risicobasis

0,5%

 

0,8%

 
     

Totaal actuariële inkooppremie

 

9,8%

 

27,2%

     

Opslag voor vereist eigen vermogen

 

2,3%

 

6,5%

Opslag voor de uitvoeringskosten

 

0,2%

 

0,2%

Opslag bestemd voor voorwaardelijke indexering

 

4,0%

 

0,0%

     

Totale kostendekkende premie

 

16,3%

 

33,9%

     

Feitelijke pensioenpremie

 

22,4%

 

22,4%

Toevoeging aan premiestabilisatiebestemmingsreserve

 

(0,1%)

 

(0,1%)

Premieoverschot/-tekort

 

6,2%

 

(11,4%)

    De premiedekkingsgraad (de feitelijke premie gedeeld door de inkoop op marktrente) was voor 2017 82%. Dit is lager dan de actuele dekkingsgraad. Dit betekent dat de inkoop van pensioenrechten heeft gezorgd voor een daling van de dekkingsgraad. Ook in 2016 was de premiedekkingsgraad lager dan de actuele dekkingsgraad. In 2018 zal de premiedekkingsgraad wederom lager dan de actuele dekkingsgraad zijn.

    Pensioendriehoek uit evenwicht

    PFZW heeft drie jaar een dekkingstekort. Als de beleidsdekkingsgraad tot en met eind 2020 onder de minimaal vereiste dekkingsgraad blijft, moeten we de pensioenen verlagen. In 2017 heeft het bestuur stilgestaan bij mogelijkheden om het evenwicht tussen prijs, ambitie en risico te herstellen. De conclusie was, dat het bestuur dit niet realistisch vindt; de stuurkracht van maatregelen als premieverhoging en opbouwverlaging is hiervoor te klein. 

    Indexering

    De komende jaren verwachten we geen mogelijkheden tot indexering, gegeven onze beleidsdekkingsgraad. Toch hebben we nog steeds de ambitie om de pensioenen aan de prijsontwikkeling aan te passen.

    Risicohouding

    De haalbaarheidstoets laat zien in welke mate en hoe we onze ambities kunnen realiseren en in hoeverre pensioenresultaten kunnen tegenvallen in slechte scenario’s. Voor de haalbaarheidstoets formuleerde het bestuur een risicohouding, waarin de grenzen zijn aangegeven voor het pensioenresultaat. Het pensioenresultaat is de mate waarin PFZW naar verwachting een waardevast pensioen kan uitkeren. In de haalbaarheidstoets is het onze ambitie om de komende 60 jaar ten minste een pensioenresultaat van 90% van een volledig met prijsinflatie geïndexeerd pensioen te behalen. Dit wordt jaarlijks getoetst. Bij de toetsing eind 2017 bleek dat we aan de gestelde grenzen voldoen.

    Wij hebben ook een ‘eigen risicohouding’. Deze is anders dan de risicohouding bij de haalbaarheidstoets en wordt gebruikt bij de beleidsvorming door het bestuur. Een belangrijk verschil is dat de horizon van de eigen risicohouding korter is, namelijks 15 jaar. Onderdelen van de eigen risicohouding zijn op een horizon van 15 jaar:

    • het pensioenresultaat: het werkelijke pensioen ten opzichte van een volledig geïndexeerd pensioen

    • de cumulatieve nominale achterstand: de mate waarin het pensioen kan dalen door herhaalde pensioenverlagingen

    • de toekomstige indexering: de mate waarin PFZW aan het einde van de horizon kan indexeren.

    Bij de huidige financiële positie zijn de risico’s op het verlagen van pensioenen groot. In 2018 zal het bestuur nader stilstaan bij de risicohouding.