Ontwikkelingen in de regelgeving voor PFZW van belang

Wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen

Op 21 november 2017 is het Wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen aangenomen: het recht op afkoop wordt vervangen door een recht op automatische waardeoverdracht. Door de wetswijziging wordt het voor pensioenuitvoerders eenvoudiger om kleine pensioenen samen te voegen. Kleine pensioenen worden voortaan niet afgekocht, maar gaan over naar de volgende pensioenuitvoerder. Verder regelt het wetsvoorstel dat kleine pensioenen van minder dan twee euro mogen vervallen. Tot slot wordt in het wetsvoorstel verduidelijkt onder welke voorwaarden een pensioenfonds eenzijdig opgebouwde pensioenaanspraken naar een hogere pensioenleeftijd mag omzetten.

De Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars hebben een werkgroep opgericht, die ervoor gaat zorgen dat het automatisch overdragen van kleine pensioenen zo eenvoudig mogelijk en tegen de laagst mogelijke kosten gaat verlopen. De inwerkingtreding van de Wet waardeoverdracht klein pensioen is 1 maart 2018. De start van de automatische waardeoverdracht is 1 januari 2019 voor nieuwe kleine pensioenen en 1 januari 2020 voor bestaande kleine pensioenen.

Discussie over derdepijlerpensioen

In het kader van het project Capital Markets Union presenteerde de Europese Commissie op 29 juni 2017 een voorstel voor een verordening betreffende een ’pan-European Personal Pension Product’ (PEPP). In de verordening worden ook pensioenfondsen toegelaten als PEPP-aanbieder, naast onder andere banken, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsinstellingen.

De toelating van pensioenfondsen wekt verwondering bij de politiek en ook bij PFZW. Immers, volgens de geldende IORP-richtlijn mogen pensioenfondsen alleen actief zijn binnen de tweede pijler (arbeidspensioen), terwijl PEPP een derdepijlerproduct is (privévoorziening).

Dit heeft voor de Nederlandse situatie tot gevolg dat de wettelijke taakafbakening van pensioenfondsen wordt doorbroken. De Nederlandse regering heeft zich vooral op dit punt afwijzend opgesteld. PFZW streeft op dit dossier voortdurend naar een constructieve dialoog met de Europese Commissie.

De nieuwe privacy wetgeving: Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

Vanaf 25 mei 2018 is de nieuwe Europese privacy wetgeving van kracht. De zogeheten Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vervangt per die datum de huidige Wet bescherming persoonsgegevens (WBP).

De AVG verschilt van de WBP op de volgende punten:

  • de rechten van het individu op privacy worden uitgebreid als het gaat om informatie, inzage, rectificatie, wissen, beperken van verwerking, bezwaar, eigen gegevens overzetten naar een ander pensioenfonds en opbouwen van een profiel

  • de bewijslast wordt omgedraaid: een bedrijf of organisatie moet aantonen dat het voldoet aan de nieuwe wet en niet het individu

  • de Autoriteit Persoonsgegevens is de toezichthouder, die meer bevoegdheden heeft en hogere boetes kan uitdelen dan onder de WBP

PFZW bereidt zich samen met de uitvoeringsorganisatie voor op de implementatie van de AVG. Alle relevante disciplines binnen beide organisaties zijn daarbij betrokken. Voorbeelden van de belangrijkste veranderingen zijn:

  • een verwerkingsregister voor eigen verwerkingen en die van andere partijen in de keten

  • het houden van privacy impact analyses, waarmee privacyrisico’s in beeld komen, de bedrijfsvoering en ICT inrichten volgens de principes privacy by default en privacy by design, waardoor al in een vroeg stadium van product-, dienst- en systeemontwikkeling aandacht wordt besteed aan maatregelen ten aanzien van privacy

  • dataminimalisatie: het gebruik van alleen de noodzakelijke data

  • het aanstellen van een functionaris gegevensbescherming als contactpersoon voor PFZW en de toezichthouder

  • alle genoemde rechten van het individu vertalen in processen en vastleggen in systemen

Naast deze voorbereidingen heeft PFZW een bijdrage geleverd aan het Servicedocument Gegevensbescherming van de Pensioenfederatie. Dit document is afgestemd met de Autoriteit Persoonsgegevens. In 2018 wordt nagegaan of een gedragscode met de Autoriteit Persoonsgegevens kan worden afgesproken, waarin de pensioensector de algemene normen uit de AVG concreter maakt.

BEPS-regels ook voor pensioenfondsen

Het wereldwijde belastinglandschap is aan grote veranderingen onderhevig. De acceptatie van belastingontwijking/-reductie is snel afgenomen, en er bestaat veel behoefte aan meer transparantie op dit vlak. Een belangrijk initiatief is het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project van de OECD/G-20. Dit initiatief wordt de komende jaren omgezet in wetgeving. Het BEPS-actieplan vloeit voort uit de wens om te komen tot wereldwijde, gecoördineerde afspraken om belastingontwijking door grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan. Het initiatief bestaat uit 15 actiepunten. Deze regels zijn in eerste instantie bedoeld voor multinationals maar zullen ook – en soms onbedoeld – van toepassing zijn op pensioenfondsen.

Het is voor PFZW belangrijk om op deze ontwikkelingen te anticiperen. Dit is vormgegeven in onder andere het beleggingsproces voor nieuwe beleggingen. De EU zal de BEPS-voorstellen invoeren via het Anti-Tax Avoidance Program (ATAP).

Herziene richtlijn voor kapitaalmarkten: MiFID II

In november 2007 werd Markets in Financial Investments Directive (MiFID), een Europese richtlijn uit 2004, in Nederland geïmplementeerd in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het doel van deze MiFID-richtlijn was drieledig: het vergroten van de beleggersbescherming, het transparanter en eerlijker maken van de Europese financiële markten en het bevorderen van de handelsmogelijkheden binnen de Europese beleggingsmarkt.

Sinds 2011 werd MiFID herzien omdat veranderingen op de kapitaalmarkten deze richtlijn hebben ingehaald. De evaluatie van MiFID bracht een aantal tekortkomingen aan het licht. Onder meer op het gebied van transparantie, toezicht op OTC-handel (handel buiten de beurzen om) en technologische ontwikkelingen, zoals High Frequency Trading (HFT). Ook waren er onvoldoende regels voor markten die tot nog toe weinig gereguleerd zijn, zoals de handel in derivaten en gestructureerde producten. Deze evaluatie heeft in 2014 geleid tot een nieuwe richtlijn, MiFID II, en een daaraan gekoppelde verordening. Een verordening heeft rechtstreekse werking in de lidstaten van de EU, een richtlijn wordt voor inwerkingtreding eerst overgenomen in nationale wet- en regelgeving.

Als gevolg van de nieuwe eisen in MiFID II mogen researchkosten niet langer onderdeel uitmaken van de kosten (zogenaamde ’unbundling’) die gemaakt worden voor de uitvoering van transacties. Hierdoor gaat ook PFZW apart voor research betalen. Na de implementatie van MiFID II per 3 januari 2018 verwachten wij extra researchkosten voor vastrentende waarden. Voor aandelen inclusief beursgenoteerd vastgoed is nog niet duidelijk wat de impact is.

Evaluatie EMIR door de Europese Commissie

Als reactie op de financiële crisis van 2008 kwam de Europese Unie in 2012 met een Europese verordening op het gebied van derivaten, de European Markets Infrastructure Regulation (EMIR). Het doel van deze wetgeving is de financiële markten veiliger en transparanter te maken. De partijen die in derivaten handelen zijn verplicht om deel te nemen aan een systeem van centrale afhandeling van transacties door centrale tegenpartijen (’geclearde’ transacties) te gebruiken waar dat mogelijk is, waardoor het tegenpartijrisico wordt verschoven naar de centrale tegenpartij. Partijen moeten meer zekerheden verschaffen voor de risico’s van de transacties. Dit kan door het storten van liquide middelen bij de centrale tegenpartijen.

Door deze maatregelen worden de kosten voor pensioenfondsen hoger en krijgen zij te maken met grotere liquiditeitsrisico’s. Vanwege de hogere kosten stelde de Europese Unie de pensioenfondsen voorlopig vrij van de verplichting tot centrale clearing. Deze vrijstelling gold tot 16 augustus 2017 en is verlengd tot 16 augustus 2018.

De Europese Commissie heeft EMIR geëvalueerd en in november 2016 haar rapport gepubliceerd. Dit rapport geeft onder andere aan dat het systeem makkelijker en efficiënter moet worden. Ook moet worden onderzocht of de vrijstelling van centrale clearing voor pensioenfondsen verlengd of permanent gemaakt moet worden zonder aan de kern van EMIR afbreuk te doen. In mei 2017 heeft de Europese Commissie haar voorstel voor de aanpassing van EMIR gepresenteerd. Over de definitieve aanpassing van EMIR is op dit moment nog niets te zeggen.