Uitvoeringskosten

Inleiding

PFZW vindt kostenbeheersing belangrijk. Deelnemers vragen om transparantie en PFZW wil daarin vooroplopen. Op een uniforme manier presenteren is essentieel voor de vergelijkbaarheid. PFZW volgt daarom de Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Deze onderscheiden de kosten van het pensioenbeheer, kosten van het vermogensbeheer en transactiekosten.

Kosten pensioenbeheer

De kosten van het pensioenbeheer drukken we uit in kosten per deelnemer per jaar. Het aantal deelnemers is in de richtlijn de optelling van premiebetalende deelnemers en pensioengerechtigde deelnemers. PFZW heeft als ambitie dat rond 2020 de kosten per deelnemer lager zijn dan € 60. Om deze doelstelling te halen zijn we gestart met een programma van initiatieven en maatregelen. Gezien de noodzakelijke investeringen in automatisering is deze doelstelling uitdagend.

Het aantal slapers en pensioengerechtigden stijgt al enkele jaren. Het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van slapers en deelnemers brengt veel administratieve handelingen met zich mee. Het aantal actieve deelnemers nam in 2017 toe. Verdergaande automatisering is essentieel om de kostendoelstelling te kunnen realiseren.

De kosten van de uitvoering van de pensioenregeling bedragen € 106 miljoen. In 2016 was dit ook € 106 miljoen. Per deelnemer bedragen de kosten in 2017 € 64,90 (2016: € 67,90).

De kosten voor pensioenbeheer worden vergeleken met de benchmark van Cost Effectiveness Measurement (CEM). PFZW onderscheidt zich mede door schaalvoordelen positief ten opzichte van de benchmark. Per normverzekerde van PFZW lagen deze kosten in 2016 op € 72 en daarmee onder het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen (€ 101) en onder het wereldgemiddelde (€ 126). PFZW vindt het belangrijk om ook op de lange termijn een lager kostenniveau te houden dan de benchmark. Op het moment van de afronding van dit jaarverslag zijn nog geen recente CEM-gegevens over 2017 beschikbaar.

Kosten vermogensbeheer

Er is veel aandacht voor de kosten die pensioenfondsen maken voor het beheer van hun vermogen, en dat geldt ook voor PFZW. Kosten bij vermogensbeheer zijn relevant, omdat de beleggingsportefeuille groot is en er vaak sprake is van dienstverlening door derde partijen. Daarnaast gaat het, ook in relatie tot de kosten van pensioenadministratie, om grote bedragen.

Bij de bepaling van de kosten van het vermogensbeheer hanteert PFZW het ‘look through’-principe. Hierbij neemt PFZW de vermogensbeheerkosten van beleggingen via beleggingsfondsen of zogeheten fund of funds mee in de totale kosten. Deze beleggingsstructuren hinderen het zicht op de totaal gemaakte kosten daardoor niet. Daarnaast maakt PFZW conform aanbevelingen gebruik van schattingen om de totale kosten van het vermogensbeheer inzichtelijk te maken. Ongeveer 7% van de kosten van het vermogensbeheer is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves. De beheerders van beleggingen in private markten rapporteren de daadwerkelijke kosten met een vertraging van een kwartaal.

De kosten van het vermogensbeheer worden uitgedrukt als een percentage van het gemiddeld belegd vermogen. De kosten van het vermogensbeheer zijn gestegen van 0,46% in 2016 naar 0,49% in 2017. PFZW voldoet daarmee aan de eigen doelstelling, dat de kosten van het vermogensbeheer minder zijn dan 0,50% van het gemiddeld belegd vermogen. Sinds 2013 zijn de kosten van het vermogensbeheer met bijna 20% gedaald.

De onderstaande tabel geeft de kosten vermogensbeheer per beleggingscategorie weer.

(bedragen x € 1 miljoen)

2017

2016

 

Gemiddeld
belegd
vermogen

Beheer
vergoeding

Prestatie
afhankelijke
vergoeding

Netto
rendement

Gemiddeld
belegd
vermogen

Beheer
vergoeding

Prestatie
afhankelijke
vergoeding

Netto
rendement

Zakelijke waarden

97.922

462,0

382,2

6,1%

91.379

457,3

276,7

11,2%

Alternatieve aandelenstrategieën

19.708

8,1

-

5,8%

18.504

7,2

-

13,9%

Beleggen in oplossingen liquide aandelen

3.039

8,2

-

8,6%

2.695

7,0

-

9,9%

Aandelen klassiek ontwikkelde markten

22.615

9,8

-

8,7%

21.171

11,4

0,6

11,1%

Aandelen klassiek opkomende markten

7.124

10,9

-

16,1%

6.763

10,9

-

18,0%

Beursgenoteerd vastgoed

10.871

5,1

-

(2,5%)

10.542

6,6

-

4,5%

Infrastructuur

7.006

40,7

15,2

8,8%

5.823

53,1

21,0

7,3%

Insurance

3.641

31,1

-

(13,3%)

3.225

27,3

-

8,7%

Overige zakelijke waarden

1.232

18,8

5,9

(8,3%)

1.421

22,6

23,3

4,3%

Privaat vastgoed

11.838

126,4

33,5

2,9%

11.062

117,5

13,3

9,4%

Private equity

10.848

202,9

327,6

14,1%

10.173

193,7

218,4

14,6%

         

Grondstoffen

8.102

3,9

-

7,3%

7.208

3,7

-

22,4%

         

Krediet

26.015

50,4

-

(2,7%)

22.718

45,0

(3,7)

13,3%

Bedrijfsobligaties ontwikkelde markten

4.563

2,7

-

2,4%

4.818

2,6

-

4,9%

Bedrijfsobligaties en high yield opkomende markten

3.729

3,8

-

(4,3%)

3.459

3,7

-

14,5%

Emerging markets debt local currency

7.325

17,3

-

1,2%

6.855

16,7

-

12,3%

High yield en loans ontwikkelde markten

3.718

13,8

-

(4,4%)

3.491

13,5

(3,7)

15,9%

Structured credit

5.523

7,6

-

(10,8%)

3.667

6,1

-

21,7%

Hypotheken

1.157

5,2

-

2,5%

428

2,3

-

8,9%

         

Vastrentende waarden

56.295

9,0

-

(4,0%)

55.187

7,9

-

13,7%

Rente-afdekkingsmandaat

50.223

5,8

-

€ (2.056)

46.278

5,5

-

€ 6.625

Overige vastrentende waarden

3.973

0,9

-

4,2%

7.639

1,1

-

0,8%

Kas en overlay

2.099

2,3

-

 

1.270

1,3

-

 
         

Vergoeding uitvoeringsorganisatie

 

15

   

16

  
         

Doorbelaste algemene kosten

 

1

   

1

  
         

Totaal

188.334

541

382

5,1%

176.492

531

273

12,0%

         

Kosten in percentage gemiddeld belegd vermogen

 

0,287%

0,203%

  

0,301%

0,155%

 

De in de tabel weergegeven 'beheervergoeding' is gebaseerd op geïnvesteerde of toegezegde bedragen. Onder 'beheervergoeding' vallen de vaste overeengekomen vergoedingen, bewaarloon en overige kosten. In sommige gevallen wordt een 'prestatieafhankelijke vergoeding' afgesproken met externe vermogensbeheerders. De 'prestatieafhankelijke vergoeding' is afhankelijk van het rendement van de specifieke beleggingen.

De beheervergoeding daalde van 0,30% in 2016 naar 0,29% in 2017. De prestatieafhankelijke vergoeding laat een stijging zien van 0,16% in 2016 naar 0,20% in 2017. Beleggingsbeleid en rendementen zijn belangrijke determinanten voor de hoogte van deze vergoedingen.

Beleggingsbeleid

Vijf aspecten van het beleggingsbeleid bepalen vooral de kosten van het vermogensbeheer:

  1. beleggingsmix

  2. schaalgrootte

  3. de mate van actief of passief beheer

  4. de mate van intern of extern beheer

  5. directe of indirecte belegging

In de besluitvorming over de beleggingsmix houdt PFZW rekening met de kosten, maar aanpassing van de beleggingsmix omwille van kostenverlaging is geen doel op zich. Het doel is de kosten van het vermogensbeheer te verminderen met behoud van het rendement. De kosten van het vermogensbeheer zijn binnen de beleggingsmix mede afhankelijk van de verdeling tussen private markten en publieke markten. Beleggingen op private markten maken ongeveer 22% (2016: 20%) van de beleggingsmix uit. De private markten zijn verantwoordelijk voor 88% (2016: 87%) van alle kosten. PFZW is van mening dat de betere rendementsverwachtingen van private beleggingen opwegen tegen de hogere kosten.

De allocatie naar de beleggingscategorie infrastructuur, een categorie met een relatief hoog kostentarief, is ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen van 3,3% in 2016 naar 3,7% in 2017 gestegen. Daar staat onder andere een daling van de allocatie naar bedrijfsobligaties ontwikkelde markten tegenover, van 2,7% naar 2,4% van het gemiddeld belegd vermogen. Dit is een beleggingscategorie met een lager kostentarief. Deze mutaties binnen de beleggingsmix hadden in 2017 een kostenverhogend effect op de beheervergoeding als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. Het effect van een kostendaling binnen infrastructuur was sterker dan het effect van de gestegen allocatie naar deze beleggingscategorie, mede hierdoor daalde de beheervergoeding als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. Verbeterd inzicht in de advieskosten bij nieuwe infrastructuur beleggingen heeft in 2017 geleid tot een verschuiving van beheerkosten naar transactiekosten binnen de beleggingscategorie infrastructuur.

De schaalgrootte is voor PFZW een gegeven en in tegenstelling tot de andere aspecten niet stuurbaar. De absolute kosten en daarbinnen met name de beheervergoeding kennen een duidelijke relatie met de omvang van de beleggingsportefeuille. In 2017 steeg het gemiddeld belegd vermogen met 6,7%. De beheervergoeding, uitgedrukt in absolute kosten, steeg in dezelfde periode met 2,0% minder hard.

Het aandeel indirecte beleggingen van PFZW, zoals participaties in beleggingsfondsen, met uitzondering van de beleggingsfondsen van de uitvoeringsorganisatie, binnen de private markten is de afgelopen jaren gedaald. Beleggingen in fondsstructuren zijn over het algemeen duurder en worden om deze reden zoveel mogelijk vermeden. Het aandeel directe beleggingen, zoals projecten met één of meerdere mede-investeerders, is binnen de private markten gestegen.

Kosten vermogensbeheer in relatie tot rendement

Het beoogde rendement moet in relatie staan tot de kosten van het vermogensbeheer. Het langjarige rendement is daarom van belang bij het beoordelen van het kostenniveau en de keuze van de beleggingsmix.

De volgende tabel laat de totale kosten van het vermogensbeheer tegenover het rendement zien. De netto-en brutorendementen per beleggingscategorie worden weergegeven in de toelichtende paragraaf op de beleggingsresultaten. De tabel laat zien dat het samengestelde rendement niet direct te koppelen is aan de totale prestatieafhankelijke vergoeding.

Totale kosten vermogensbeheer (excl. transactiekosten) in % t.o.v. gemiddeld belegd vermogen

     
 

2017

2016

2015

2014

2013

Totale kosten vermogensbeheer incl.

     

prestatieafhankelijke vergoeding in %

0,49%

0,46%

0,48%

0,54%

0,61%

Prestatieafhankelijke vergoeding in %

0,20%

0,16%

0,18%

0,22%

0,23%

Netto rendement na kosten

5,1%

12,0%

(0,1%)

15,5%

3,7%

Benchmark rendement na kosten

5,2%

11,6%

(1,1%)

15,2%

3,8%

De hoogte van deze prestatieafhankelijke vergoeding hangt onder meer af van de verschillende performance fee structuren bij externe vermogensbeheerders van onderliggende beleggingsfondsen. Dit kan betekenen dat het totale rendement van de beleggingscategorie laag is, maar doordat enkele externe vermogensbeheerders vergeleken met de benchmark een hoger rendement (outperformance) hebben behaald, wordt door PFZW een prestatieafhankelijke vergoeding gereserveerd en betaald.

De hoogte van de prestatieafhankelijke vergoeding is in 2017 vergeleken met 2016 ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen zowel relatief als absoluut gestegen. Deze toename komt grotendeels voor rekening van private equity en privaat vastgoed.

Het nettorendement van de beleggingscategorie private equity kwam over 2017 uit op 14,1%. Meerdere externe managers lieten een meerjarige performance boven het afgesproken rendement zien. Rendementen, risico en kosten vermogensbeheer vormen een onlosmakelijk geheel. Dit rendement leidt tot een hogere prestatieafhankelijke vergoeding dan in 2016. Een Europese fondsinvestering droeg met een nettorendement sinds inceptie van 38% bij aan de hogere vergoeding.

Investeringen binnen privaat vastgoed lieten over de gehele portefeuille sinds inceptie jaarlijkse rendementen van gemiddeld meer dan 7,4% zien. Twee Amerikaanse Core Fund beleggingen lieten sinds inceptie een performance zien van respectievelijk 16,5% en 12,3% en droegen binnen deze beleggingscategorie het meest bij aan de stijging van de prestatieafhankelijke vergoeding.

Kosten vermogensbeheer in vergelijking met benchmark

Met behulp van kostenbenchmarks worden pensioenfondsen met elkaar vergeleken. Nadeel van benchmarks is dat deze vaak een jaar achterlopen op de verslagperiode. PFZW doet mee aan de wereldwijde benchmarkvergelijking van Cost Effectiveness Measurement (CEM). De peergroep waarmee PFZW voor het vermogensbeheer wordt vergeleken, bestaat uit internationale pensioenfondsen van vergelijkbare grootte, waarbij de opbouw van de beleggingsmix relatief meeweegt in de vergelijking van de kosten. De kosten van het vermogensbeheer van PFZW liggen volgens de laatst beschikbare CEM (2016) 0,9 basispunt onder de benchmark. In verhouding tot de peergroep dragen de relatief lagere kosten voor extern vermogensbeheer van aandelen hier het meest aan bij.

Transactiekosten

Transactiekosten vormen een aparte kostensoort. De omvang wordt bepaald door de aard en de omvang van de beleggingstransacties. Op de transactiekosten van zowel 2016 als 2017 is ‘look through’ toegepast. Ongeveer 65% van de transactiekosten is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves.

PFZW streeft naar het beperken van de transactiekosten. Om dit te realiseren wordt bij het herbalanceren van de portefeuille naar de strategische beleggingsmix, het aantal transacties zo veel mogelijk beperkt.

De transactiekosten bedroegen in 2017 € 194 miljoen, wat neerkomt op 0,10% van het gemiddeld belegd vermogen. In 2016 was dit € 181 miljoen en ook 0,10% van het gemiddeld belegd vermogen.

Transactiekosten per beleggingscategorie

  

(bedragen x € 1 miljoen)

2017

2016

   

Zakelijke waarden

67,3

51,7

Grondstoffen

14,5

12,1

Krediet

47,0

66,9

Vastrentende waarden

65,2

50,3

Totale transactiekosten

194,0

181,0

PFZW onderscheidt binnen de transactiekosten drie categorieën:

  • in- en uitstapkosten bij beleggingsfondsen

  • aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels 

  • acquisitiekosten.

PFZW belegt voor een groot deel in beleggingsfondsen van de uitvoeringsorganisatie. Hierbij worden in- en uitstapkosten in rekening gebracht. Deze geven een indicatie van de kosten die de vermogensbeheerders van deze beleggingsfondsen maken om financiële producten binnen het beleggingsfonds te kopen of verkopen. Voor de in- en uitstapkosten wordt jaarlijks een percentage vastgesteld op basis van een schatting van de te maken transactiekosten.

De aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels tellen drie componenten:

  • brokerage fees voor het verwerken van transacties

  • spread voor diverse kosten en winstopslagen bij de tussenpersoon

  • het verwerken en registreren van transacties in de administratie van vermogensbeheerders.

De aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels bedroegen in 2017 € 155 miljoen (2016: € 154 miljoen). Voor vastrentende waarden en derivaten worden de transactiekosten geschat op basis van de spread, het verschil tussen de bied- en laatkoersen. Dit verschil kan niet voor elke individuele transactie worden bepaald. PFZW schat het op basis van transactiekarakteristieken, zoals rating, looptijd, volume, regio en valutaparen.

De acquisitiekosten bedroegen in 2017 € 42 miljoen (2016: € 29 miljoen). Deze hebben betrekking op directe transacties in illiquide beleggingen. Een belangrijke component zijn de kosten van adviseurs. De toename is mede te verklaren door een aantal nieuwe investeringen in de beleggingscategorie private equity met bijbehorende acquisitiekosten.

Aansluiting jaarrekening

Voor de kosten in de jaarrekening volgt PFZW de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. De jaarrekening bevat daarom alleen de kosten die direct bij PFZW in rekening zijn gebracht of nog worden gebracht. In de verantwoording door het bestuur worden - conform de Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie - ook de indirecte kosten meegenomen. De indirecte vermogensbeheer- en transactiekosten maken in de jaarrekening onderdeel uit van de waardeverandering van de beleggingen en hebben daardoor invloed op het behaalde rendement. Daarom zijn de totale kosten van het vermogensbeheer in de jaarrekening lager. Bovendien wordt expliciet onderscheid gemaakt tussen vermogensbeheerkosten en transactiekosten.

(bedragen x € 1 miljoen)

Vermogens-
gerelateerd)
gerelateerd)
(excl. Performance

Performance
gerelateerde
vergoedingen

Transactie-
kosten

Totaal

     

Beheervergoedingen

(45,0)

11,4

-

(33,6)

Bewaarloon

2,2

-

-

2,2

Overige kosten

3,4

-

-

3,4

     

Directe kosten, opgenomen in de jaarrekening

(39,4)

11,4

-

(28,0)

Indirecte kosten, onderdeel van de

    

waardeveranderingen van beleggingen

580,6

370,8

194,0

1.145,4

     

Totale vermogensbeheerkosten en transactiekosten

541,2

382,2

194,0

1.117,4