Onze uitdagingen voor 2018 en daarna

Balansmanagement

Het bestuur van PFZW wil nu en in de toekomst pensioen uitkeren aan de deelnemers. Dit zijn de financiële verplichtingen van PFZW waarvoor de deelnemers premie betalen. De verplichtingen zijn gebaseerd op de pensioenregeling van PFZW en worden ook beïnvloed door externe factoren zoals de stijgende levensverwachting van onze deelnemers. Daarnaast wordt de waarde van de verplichtingen beïnvloed door de ontwikkeling van de rekenrente.

De beleidsdekkingsgraad van PFZW was in 2017 lager dan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,3%. Dat wil zeggen dat de waarde van de activa achterblijft bij de waarde van de passiva. Bij de huidige lage rekenrente is de waardeontwikkeling van de verplichtingen hoog en de waardeontwikkeling van de beleggingen blijft hierbij achter. Als eind 2020 de beleidsdekkingsgraad nog steeds lager is dan 104,3%, is het bestuur verplicht om de pensioenaanspraken te verlagen om zodoende de verplichtingen meer in balans te brengen met de waarde(ontwikkeling) van de beleggingen.

De uitdaging is om in 2020 een beleidsdekkingsgraad te hebben die hoger is dan 104,3%. Het bestuur heeft een aantal beleidsinstrumenten om de balans van het pensioenfonds op bescheiden schaal bij te sturen. Een evenwichtige afweging van de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en werkgevers staat hierbij centraal.

Veranderende regelgeving

Veranderende regelgeving speelt een belangrijke rol. Aanpassingen in het pensioenstelsel hebben gevolgen voor het beleggingsbeleid. En ook veranderende regelgeving op financiële markten heeft consequenties voor PFZW. Zo heeft de European Markets Infrastructure Regulation (EMIR) een grote impact evenals een Financial Transaction Tax (FTT).

Impact EMIR-regels
EMIR is een aanscherping van de regelgeving voor derivaten en dwingt financiële partijen waaronder pensioenfondsen om derivaten transacties via centrale tegenpartijen af te handelen. EMIR is goed voor de transparantie over derivatenposities maar slecht voor de liquiditeitspositie van pensioenfondsen. Door EMIR moeten pensioenfondsen meer kas aanhouden en de kas kan daarom niet worden belegd in bijvoorbeeld aandelen of obligaties. Pensioenfondsen zijn nu nog vrijgesteld van EMIR maar die vrijstelling vervalt op termijn. Dit leidt naar verwachting tot hogere kosten en heeft impact op het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. De liquiditeit van PZFW is ruim voldoende om - vrijgesteld van EMIR - aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Als alle derivaten transacties in de toekomst afgewikkeld worden via centrale tegenpartijen, zal het beleggingsbeleid in de toegenomen liquiditeitsbehoefte moeten voorzien.

Invloed van FTT
Een andere bedreiging voor de beleggingen is de mogelijke invoering van een Financial Transaction Tax (FTT). De FTT is een belasting die geheven zal gaan worden over transacties in financiële instrumenten tussen financiële instellingen; bijvoorbeeld op de handel in aandelen en obligaties. Dit initiatief hangt al enkele jaren boven de markt. Een belangrijk uitgangspunt was daarbij om risicovol marktgedrag tegen te gaan. Op pensioenfondsen werkt dit voorstel averechts uit. Een deel van de transacties van pensioenfondsen is er op gericht om rente- en valutarisico’s te verminderen. FTT belast deze transacties ook.

Doordat pensioenfondsen een langetermijnkarakter hebben en tegelijkertijd eindgebruiker in de keten zijn, werkt een FTT bovenmatig door in de kosten voor pensioenfondsen. En daarmee belemmert een FTT een toereikende pensioenopbouw.

De Europese Commissie streefde aanvankelijk naar invoering van de FTT in de hele EU, maar dat plan kreeg onvoldoende steun van de lidstaten. Tien lidstaten werken nu samen, met steun van de Europese Commissie, aan een aangepast voorstel. Nederland behoort niet tot die groep van tien. Het Nederlandse kabinet staat, onder voorwaarden, in principe positief tegenover de invoering van de FTT. Zo pleit het kabinet er onder andere voor dat pensioenfondsen uitgezonderd zijn van de FTT.

Mocht er in de toekomst een FTT komen, dan zal dit mogelijk impact hebben op het beleggingsbeleid.

Evaluatie FTK
Op 8 maart 2018 heeft minister Koolmees van Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SZW) het rapport Evaluatie Wet aanpassing financieel toetsingskader (FTK) aan de Tweede Kamer gestuurd. Voor deze evaluatie is gesproken met wetenschappers, toezichthouders, pensioenfondsen, consultants en werkgevers- en werknemersorganisaties. Ook PFZW heeft via een interview aan het onderzoek meegewerkt.

De evaluatie is uitgevoerd op de onderdelen van het FTK die per 1 januari 2015 zijn gewijzigd. Het is geen evaluatie van het FTK als geheel.  Als de evaluatie van het FTK een bredere scope had gekregen en de conclusies in een breder kader waren geplaatst, dan waren knelpunten in het huidige toezichtskader naar boven gekomen. Bijvoorbeeld bij de in 2015 ingevoerde UFR-methodiek, die de komende jaren waarschijnlijk een negatieve impact heeft op het herstel van de dekkingsgraad. Daarmee wordt de uitdaging vergroot om voor eind 2020 een beleidsdekkingsgraad te bereiken boven de minimaal vereiste  104,3%. Deze minimaal vereiste beleidsdekkingsgraad van 104,3% is nodig om een verlaging van pensioenen te voorkomen.

Vergroten van de wendbaarheid van de dienstverlening

Ook in 2018 voorzien wij als uitdaging dat de wendbaarheid van de dienstverlening vergroot dient te worden, zodat wij een toekomstbestendig pensioenproduct kunnen blijven aanbieden tegen lage kosten.

Om klaar te zijn voor de toekomst, inclusief belangrijke pensioenstelselwijzigingen en aanpassingen in wet- en regelgeving, investeren wij in een toekomstvaste architectuur. Wij maken de huidige infrastructuur wendbaar en toekomstbestendig, waarbij excellente klantbediening centraal blijft staan.

SER en kabinet

De discussie over de toekomst van het pensioenstelsel liep ook in 2017 nog door. Sociale partners zijn met de kroonleden in de SER nog niet tot een finale keuze voor een toekomstig pensioencontract gekomen. Het nieuwe kabinet heeft in het regeerakkoord een passage opgenomen over de richting c.q. invulling van het toekomstige pensioencontract. Dat sluit in beginsel aan bij het gedachtegoed van de SER, zij het dat het regeerakkoord op enkele punten vooruitloopt op de discussie tussen sociale partners. Het nieuwe kabinet stelt tegelijkertijd nadrukkelijk dat het primaat van de pensioenregeling bij de sociale partners ligt. De inhoudelijke contouren gaan in de richting van persoonlijk pensioen met collectieve risicodeling. Het collectieve gedeelte moet bescherming bieden tegen risico’s die individueel niet of niet voldoende kunnen worden gedragen. Met als doel onder andere het voorkomen van pech- en gelukgeneraties.

De verwachting van het kabinet is dat sociale partners in het voorjaar van 2018 met een breed gedragen voorstel voor een nieuw pensioencontract komen.

Stelseldiscussie bij PFZW

In 2017 heeft PFZW samen met de uitvoeringsorganisatie in de vorm van diverse onderzoeken actief bijgedragen aan de (door)ontwikkeling van het toekomstige pensioencontract. In een eerder stadium had PFZW al zeven fundamentele waarden geformuleerd, die voor ons leidend zijn in de afweging (zie hieronder). PFZW blijft zijn bijdrage leveren in het landelijke debat en eventuele keuzes steeds blijven toetsen aan de eigen waarden.

PFZW’s zeven waarden bij het vormgeven van een nieuw pensioencontract:
• beschermen tegen het onvoldoende zelf regelen van een risico dat je anders niet kunt dragen
• delen van risico’s binnen én tussen generaties
• samen zorgdragen door werkgevers en werknemers voor voldoende premie
• behalen van beste resultaat door beleggen op de lange termijn
• organiseren van kostenbeheersing door schaalgrootte, eenvoud en het werken zonder winstoogmerk
• behalen van de beste voordelen door een verplicht pensioen
• realiseren van stabiliteit onder andere in premie en pensioenuitkering