Pensioenproduct

Doelstelling van PFZW (ambitie)

In 2018 heeft PFZW de lange termijn ambitie en bijbehorende eigen risicohouding opnieuw geformuleerd: naarmate PFZW dichter bij een situatie komt waarin bestendig en volledige kan worden geïndexeerd wordt beleggingsrisico terug genomen. Dat kan nu nog niet omdat dit het financieel herstel vertraagt.

PFZW ambieert een geïndexeerd pensioen tegen een betaalbare premie. Bij de huidige financiële positie kan deze ambitie echter niet worden gerealiseerd en is het risico op pensioenverlagingen groter dan wenselijk. Het bestuur van PFZW zou de risico’s in de beleggingsportefeuille graag inperken, maar dit zou het nog moeilijker maken om op termijn weer te kunnen indexeren. In deze afweging tussen ambitie en risico zal PFZW geleidelijk risico terugnemen, naarmate de dekkingsgraad stijgt. Bij een goede financiële positie waarin volledig kan worden geïndexeerd, willen we met minimaal 70% kans volledig kunnen blijven indexeren. In de 10% slechtste scenario’s zouden de pensioenen met maximaal 10% verlaagd moeten worden. 

De financiële opzet van het fonds met het beleggingsbeleid (risicohouding), de regeling, en premiestelling is op de lange termijn gericht op een geïndexeerd pensioen. De afgelopen jaren en naar het zich laat aanzien ook nog de nabije jaren zal de ambitie niet gerealiseerd worden.

De ambitie (pensioenopbouw en indexering) wordt op lange termijn gerealiseerd uit rendement én premie. Om deze ambitie te realiseren moeten we beleggingsrisico nemen. We accepteren dat de pensioenen in de slechtste gevallen verlaagd moeten worden. Hierbij nemen we niet méér beleggingsrisico dan nodig is om een volledige indexering langdurig te kunnen voortzetten.

De premie wordt vastgesteld op basis van een langjarig verwacht rendement, gecorrigeerd voor inflatie. Hierbij komen nog opslagen zolang er niet volledig geïndexeerd wordt. Als de pensioenen moeten worden verlaagd, komt er nog een extra opslag op de premie.

Voor bepaling van de indexering of verlaging van de pensioenen zijn we gebonden aan wettelijke eisen. Zodra indexeren wettelijk is toegestaan zal het bestuur hierover een besluit nemen. En indien de pensioenen wettelijk verlaagd moeten worden, zal het bestuur dienovereenkomstig besluiten.

Pensioenpremie 2018 en de Pensioenwet

In 2018 was de pensioenpremie voor de collectieve pensioenregeling 23,5% van het salaris boven de franchise. Hiervan was 22,4% voor de reguliere pensioenopbouw en 1,1% voor de inkoop van compensatierechten (VPL-regeling). Vanaf 2015 is de premie voor compensatierechten hoger dan de in een betreffend jaar in te kopen rechten. Op deze manier kunnen we deze rechten in 2020, als het restant van deze rechten moet worden ingekocht, financieren.

Jaarlijks bekijken we achteraf of de reguliere pensioenpremie volgens de Pensioenwet voldoende was. De premie in het FTK moet hoger zijn dan de kostendekkende premie. Dat kan op twee manieren:

  • gedempt: op basis van het verwachte rendement, gecorrigeerd voor de prijsinflatie

  • ongedempt: op basis van de actuele rente op 1 januari 2018

PFZW toetst of de premie kostendekkend is op basis van de gedempte premie, omdat die meer stabiliteit geeft. De gedempte kostendekkende premie over 2018 was 15,5%. De ongedempte kostendekkende premie bedroeg 31,5%. In 2018 was de pensioenpremie hoger dan de gedempte premie. Hiermee voldoen we aan de eisen van de Pensioenwet.

  

Gedempte

 

Ongedempte

  

kostendekkende

kostendekkende

  

premie

 

premie

Pensioenopbouw actieven

 

8,4%

 

23,0%

Premievrije pensioenopbouw AO'ers

 

0,5%

 

1,3%

Ingang Partnerpensioen op risicobasis

 

0,5%

 

0,8%

     

Totaal actuariële inkooppremie

 

9,4%

 

25,1%

     

Opslag voor vereist eigen vermogen

 

2,3%

 

6,2%

Opslag voor de uitvoeringskosten

 

0,2%

 

0,2%

Opslag bestemd voor voorwaardelijke indexering

 

3,6%

 

0,0%

     

Totale kostendekkende premie

 

15,5%

 

31,5%

     

Feitelijke pensioenpremie

 

22,4%

 

22,4%

Onttrekking aan premiestabilisatiebestemmingsreserve

 

0,1%

 

0,1%

Premieoverschot/-tekort

 

7,0%

 

(9,0%)

De premiedekkingsgraad was voor 2018 89%. Dit was lager dan de actuele dekkingsgraad. Dit betekende dat de inkoop van pensioenrechten heeft gezorgd voor een daling van de dekkingsgraad. Sinds 2016 ligt de premiedekkingsgraad onder de actuele dekkingsgraad. In 2019 zal de premiedekkingsgraad wederom lager zijn dan de actuele dekkingsgraad aan het begin van het jaar.

Wettelijke risicohouding

De haalbaarheidstoets laat zien in welke mate en hoe we onze ambitie kunnen realiseren en in hoeverre pensioenresultaten kunnen tegenvallen in slechte scenario’s. Voor de haalbaarheidstoets formuleerde het bestuur een risicohouding, waarin de grenzen zijn aangegeven voor het pensioenresultaat. Het pensioenresultaat is de mate waarin PFZW naar verwachting een waardevast pensioen kan uitkeren. In de haalbaarheidstoets is het onze ambitie om de komende 60 jaar tenminste een pensioenresultaat van 90% van een volledig met prijsinflatie geïndexeerd pensioen te behalen. Dit wordt jaarlijks getoetst. Bij de toetsing in 2018 bleek dat we aan deze grenzen uit onze ambitie voldoen.

Grondslagen

De actuariële grondslagen zijn de aannames voor de berekening van de technische voorziening en de premie. Eens in de drie jaar worden alle grondslagen onderzocht en geactualiseerd. In de tussenliggende jaren worden de belangrijkste grondslagen gemonitord. Dit was in 2018 het geval.

De belangrijkste grondslag is sterfte en langleven. In september 2018 publiceerde het Koninklijk Actuarieel Genootschap een nieuwe prognosetafel (AG2018). Op basis hiervan hebben wij onze grondslag sterfte en langleven geactualiseerd. De nieuwe prognosetafel voorspelt dat de stijging van de levensverwachting in Nederland minder snel gaat dan eerder was voorspeld.

Mensen die in de sector zorg en welzijn werken, leven langer dan de gemiddelde Nederlandse bevolking. De inschatting van dit verschil, ook wel ervaringssterfte genoemd is geactualiseerd. Ondanks dat de stijging van de levensverwachting in Nederland minder snel gaat dan voorspeld, leidt de actualisatie van de ervaringssterfte tot een lichte stijging van de levensverwachting.

In totaal zorgde de aanpassing van de actuariële grondslagen in 2018 voor een daling van de benodigde premie en voor een stijging van de dekkingsgraad.

Premie 2019

De minder snel stijgende levensverwachting zorgt voor een daling van de waarde van de pensioenopbouw. Maar omdat de premiedekkingsgraad onder de100% ligt en omdat PFZW er financieel niet goed voor staat, heeft het bestuur besloten om deze extra premieruimte te gebruiken voor herstel van de dekkingsgraad. In 2019 zijn de opbouw- en premiepercentages als volgt:

 

2019

2018

   

Reguliere pensioenpremie OP/PP (bijdragegrondslag)

22,4%

22,4%

VPL-premie (Bijdragegrondslag)

1,1%

1,1%

Totaal pensioenpremie (bijdragegrondslag)

23,5%

23,5%

   

AP-premie (salaris -/- AP-franchise)

0,6%

0,7%

   

Opbouwpercentage OP

1,75%

1,75%

Opbouwpercentage PP

0,625%

0,625%

Pensioenrekenleeftijd

68

68

Financiële situatie

De actuele dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen en de waarde van de pensioenverplichtingen. Deze drukt uit in hoeverre PFZW naar verwachting in de toekomst aan zijn pensioenverplichtingen kan voldoen. De actuele dekkingsgraad van 101,1% per eind december 2017 is gedaald naar 97,5% per eind december 2018. De afname was vooral het gevolg van de gedaalde rente en negatieve beleggingsresultaten.

De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de actuele dekkingsgraden van de laatste twaalf maanden. In 2018 steeg de beleidsdekkingsgraad van 98,6% naar 101,3%.

In het Financieel Toetsingskader (FTK) is de beleidsdekkingsgraad een belangrijke maatstaf voor de financiële sturing van PFZW, bijvoorbeeld om te bepalen of wij de pensioenen kunnen aanpassen aan de prijsontwikkeling.

Op acht van de afgelopen tien jaareinden lag de actuele dekkingsgraad onder de minimum vereiste dekkingsgraad. De minimaal vereiste dekkingsgraad is de dekkingsgraad waar de beleidsdekkingsgraad in het FTK niet langer dan zes achtereenvolgende meetmomenten onder mag liggen (dekkingstekort). De minimaal vereiste dekkingsgraad was per eind 2018 104,3%. PFZW heeft sinds vier jaar een dekkingstekort. Als dit nog twee jaar zo blijft, moeten de pensioenen worden verlaagd.

De reële dekkingsgraad is de dekkingsgraad die rekening houdt met toekomstige prijsinflatie; deze geeft aan of we naar verwachting in de toekomst de pensioenen kunnen indexeren. Als de reële dekkingsgraad 100% is, mag er volgens het FTK volledig worden geïndexeerd. De reële dekkingsgraad steeg in 2018 van 79,7% naar 82,3%.

Het vereist eigen vermogen (VEV) is het vermogen dat nodig is om de verwachte risico’s binnen een jaar op te kunnen vangen. De vereiste dekkingsgraad is de dekkingsgraad die bij het VEV hoort. De vereiste dekkingsgraad per eind 2018 was 124,4%.

Financiële risico’s

Om onze ambitie te realiseren moeten we beleggingsrisico nemen. Dit betekent dat de actuele dekkingsgraad afhankelijk is van de resultaten op de financiële markten.

In onderstaande tabel staat het effect van het rendement op zakelijke waarden (zw) en een wijziging van de rente op de actuele dekkingsgraad per eind 2020.

    

Rendement ZW

   

Delta swaprente

10%

5%

0%

-5%

-10%

-15%

-20%

1,0%

114,0%

110,0%

106,1%

102,2%

98,3%

94,3%

90,4%

0,6%

109,1%

105,4%

101,8%

98,1%

94,5%

90,8%

87,1%

0,4%

107,0%

103,4%

99,9%

96,4%

92,8%

89,3%

85,7%

0,0%

102,6%

99,3%

96,0%

92,7%

89,4%

86,1%

82,8%

-0,4%

98,5%

95,5%

92,4%

89,4%

86,3%

83,3%

80,2%

-0,6%

96,8%

93,9%

90,9%

88,0%

85,0%

82,1%

79,1%

-1,0%

93,3%

90,5%

87,8%

85,1%

82,4%

79,6%

76,9%

Als de marktrente gelijk blijft en er geen rendement wordt gemaakt, daalt de dekkingsgraad over eind 2020 naar 96,0%. Dit komt doordat de Ultimate Forward Rate (UFR) in de rekenrente voor de dekkingsgraad verder zal dalen en doordat de premiedekkingsgraad onder de actuele dekkingsgraad ligt. Van deze verwachte daling is 0,9 procentpunt door de dalende UFR en 0,6 procentpunt door de premiedekkingsgraad. Daarnaast doen wij volledige pensioenuitkeringen, terwijl de dekkingsgraad lager is dan 100%. 

Lage dekkingsgraad: herstelplan en niet indexeren

Omdat de beleidsdekkingsgraad lager was dan vereist, hebben we medio 2015 een herstelplan bij DNB ingediend. Daaruit bleek dat we naar verwachting binnen tien jaar de vereiste beleidsdekkingsgraad bereiken. Elk jaar bekijkt het bestuur of het herstel binnen een termijn van tien jaar kan worden gehaald. Bij een actuele dekkingsgraad lager dan 88% is het volgens het herstelplan niet mogelijk om binnen tien jaar te herstellen. Dit wordt ook wel de kritische dekkingsgraad genoemd; de exacte hoogte hiervan is mede afhankelijk van het niveau van de rente. Als de actuele dekkingsgraad onder de kritische dekkingsgraad zakt, moeten we de premie verhogen en/of de pensioenen verlagen per medio 2021.

Op basis van de situatie per eind 2018 hebben wij in maart 2019 een geactualiseerd herstelplan ingediend bij DNB. Hieruit blijkt dat er in 2019 geen aanvullende maatregelen nodig zijn.

Gedeeltelijke indexatie kan worden gegeven als de beleidsdekkingsgraad boven de 110% ligt. De beleidsdekkingsgraad ligt onder de 110%, daardoor kunnen de pensioenen niet worden geïndexeerd. Ook voor de komende jaren verwachten we dat dit niet mogelijk is. Het blijft onze ambitie om de pensioenen jaarlijks met de prijsinflatie te verhogen, hiervoor is herstel van de dekkingsgraad nodig.

Actuarieel rapport samenvatting en oordeel actuaris

Samenvatting certificeringsrapport boekjaar 2018 waarmerkend actuaris

Jaarlijks stelt de waarmerkend actuaris van Pensioenfonds Zorg en Welzijn een rapport op, dat is bedoeld om inzicht te verschaffen in de ontwikkeling van de financiële positie van het pensioenfonds gedurende het boekjaar en in het bijzonder in de financiële positie van het pensioenfonds op de balansdatum.

De werkzaamheden van de waarmerkend actuaris bestaan met name uit de beoordeling of is voldaan aan de vereisten in de Pensioenwet. Als onderdeel hiervan toetst hij of de technische voorzieningen, als geheel bezien, toereikend zijn vastgesteld en of de hierbij gehanteerde grondslagen prudent zijn. Naar het oordeel van de actuaris is dat per 31 december 2018 het geval.

Met betrekking tot de premie heeft de waarmerkend actuaris vastgesteld dat de in boekjaar 2018 ontvangen totale premiebijdrage hoger was dan de gedempte premie, die onderdeel vormt van de financiële opzet van het pensioenfonds. Uitgaande van de door het pensioenfonds gehanteerde dempingsmethodiek was de premie in 2018 dan ook kostendekkend.

Daarnaast toetst de actuaris of het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen correct zijn bepaald en hoe het eigen vermogen van het pensioenfonds zich hiertoe verhoudt.
De actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds is met bijna 4% afgenomen tot 97,5%. De beleidsdekkingsgraad (de gemiddelde dekkingsgraad over de afgelopen 12 maanden) is echter toegenomen van 98,6% tot 101,3%. De beleidsdekkingsgraad is nog wel lager dan de minimaal vereiste dekkingsgraad (alsook de vereiste dekkingsgraad).

Omdat de beleidsdekkingsgraad lager is dan de (minimaal) vereiste dekkingsgraad heeft het pensioenfonds in 2019 een actualisatie van het herstelplan gemaakt. Hieruit blijkt dat het pensioenfonds naar verwachting nog zonder aanvullende maatregelen binnen de wettelijke termijn van tien jaar herstelt tot de vereiste dekkingsgraad. De verwachte hersteltermijn is toegenomen van acht tot negen jaar.

De beleidsdekkingsgraad is voor het vierde jaareinde lager dan de minimaal vereiste dekkingsgraad. Als de beleidsdekkingsgraad van een fonds gedurende zes achtereenvolgende meetmomenten lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad èn de actuele dekkingsgraad op dat moment eveneens lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad, dient het fonds kortingsmaatregelen te treffen. Een dergelijke maatregel zou voor het pensioenfonds voor het eerst in het jaar 2021 van toepassing kunnen zijn, op basis van het meetmoment per einde 2020.

Oordeel waarmerkend actuaris

In de actuariële verklaring over boekjaar 2018 heeft de actuaris verklaard dat naar zijn overtuiging is voldaan aan de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet, met uitzondering van artikel 131 (minimaal vereist eigen vermogen), artikel 132 (vereist eigen vermogen) en artikel 133 (dekking door waarden). Omdat het eigen vermogen lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen kwalificeert de actuaris de vermogenspositie als slecht.

Verder merkt de actuaris op dat het niveau van de marktrente de afgelopen jaren zowel de realisatie als de financiering van de voorwaardelijke indexering negatief heeft beïnvloed. Daardoor staan deze per einde 2018 nog steeds op gespannen voet met de reële ambitie van het pensioenfonds. De kans op een korting per 31 december 2020 neemt toe vanwege het achterblijven van herstel van de dekkingsgraad. De houdbaarheid van de financiële opzet staat daarmee naar zijn mening onverminderd onder druk.

De actuaris merkt wel op dat het bestuur bij de totstandkoming van de premiestelling voor 2019 blijk heeft gegeven zich hiervan bewust te zijn. De premieruimte die is ontstaan door de lagere sterftegrondslagen is aangewend ten behoeve van de premiedekkingsgraad.

In 2019 heeft het pensioenfonds een actualisatie van het herstelplan opgesteld. De actuaris wijst er op dat zowel de te realiseren herstelkracht als de mate waarin de door het pensioenfonds nagestreefde reële ambitie gedurende de herstelperiode naar verwachting kan worden verwezenlijkt, in grote mate afhankelijk zal zijn van toekomstige, onzekere overrendementen.