Lage kosten

Doelstelling uitvoeringskosten

Kostenbeheersing is een belangrijk thema, zowel vanuit strategisch en maatschappelijk oogpunt als vanuit integere bedrijfsvoering. Het op een uniforme manier presenteren van kosten is belangrijk voor de vergelijkbaarheid. PFZW volgt de Aanbeveling Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Deze onderscheidt de kosten van pensioenbeheer, vermogensbeheer en transactiekosten. De algemene kosten worden waar mogelijk expliciet toegerekend aan de dienstverlening voor pensioenbeheer en vermogensbeheer. Waar dit niet mogelijk is worden deze met een sleutel verdeeld over pensioenbeheer en vermogensbeheer.

De kosten van het pensioenbeheer drukken we uit in kosten per deelnemer per jaar. PFZW heeft als ambitie dat ultimo 2020 de kosten per deelnemer lager zijn dan € 60. Daarnaast moet PFZW investeren om flexibel in te kunnen spelen op toekomstige veranderingen in het pensioenstelsel. Gezien deze aanpassingen is de doelstelling uitdagend.

De kosten van het vermogensbeheer worden uitgedrukt als een percentage van het gemiddeld belegd vermogen. PFZW heeft als doelstelling om onder de 0,50% uit te komen. Deze doelstelling is sinds 2015 gerealiseerd.

Voor transactiekosten hebben wij geen doelstellingen geformuleerd. De kosten zijn afhankelijk van de hoeveelheid transacties. Deze hoeveelheid wordt niet alleen bepaald door de beleggingsstrategie maar ook door marktomstandigheden. De effectiviteit van transacties wordt geanalyseerd en beoordeeld.

Kosten pensioenbeheer

Het aantal slapers en pensioengerechtigden stijgt sinds enkele jaren. Met pensioen gaan van slapers en deelnemers brengt veel administratieve handelingen met zich mee. Het aantal actieve deelnemers nam in 2018 verder toe. Verdergaande automatisering is essentieel om de kostendoelstelling te kunnen realiseren. Gezien de noodzakelijke investeringen in automatisering is deze doelstelling van € 60 uitdagend.

De kosten per deelnemer voor de uitvoering van de pensioenregeling in 2018 bedragen €  62,10 (2017: € 64,90 ).

Kosten vermogensbeheer

Er is aandacht voor de kosten die pensioenfondsen maken voor het beheer van hun vermogen. Kosten bij vermogensbeheer zijn voor PFZW relevant, omdat het om grote bedragen gaat, de beleggingsportefeuille groot is en er sprake is van dienstverlening door derde partijen.

Bij de bepaling van de kosten van het vermogensbeheer hanteert PFZW het ‘look through’-principe. Hierbij neemt PFZW de vermogensbeheerkosten van beleggingen in beleggingsfondsen of zogeheten fund of funds mee in de totale kosten. Daarnaast maakt PFZW conform Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie voor beleggingscategorieën binnen private markten gebruik van schattingen om de totale kosten van het vermogensbeheer compleet te maken. Ongeveer 8,3% van de kosten van het vermogensbeheer is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves.

De kosten van het vermogensbeheer zijn gedaald van 0,49% in 2017 naar 0,45% in 2018. PFZW voldoet daarmee aan de eigen doelstelling, dat de kosten van het vermogensbeheer minder zijn dan 0,50% van het gemiddeld belegd vermogen. In de afgelopen vijf jaar zijn de kosten van het vermogensbeheer uitgedrukt als percentage van het gemiddeld belegd vermogen met ruim 16% gedaald.

De onderstaande tabel geeft de kosten vermogensbeheer per beleggingscategorie weer.

(bedragen x € 1 miljoen)

2018

2017

         
 

Gemiddeld
belegd
vermogen

Beheer
vergoeding

Prestatie
afhankelijke
vergoeding

Netto
rendement 1

Gemiddeld
belegd
vermogen

Beheer
vergoeding

Prestatie
afhankelijke
vergoeding

Netto
rendement 1

         

Zakelijke waarden

103.499

474,4

356,3

(3,0%)

97.922

462,0

382,2

13,6%

Aandelen klassiek ontwikkelde markten

23.734

8,9

0,7

(8,9%)

22.615

9,8

-

18,0%

Aandelen klassiek opkomende markten

7.378

10,5

-

(8,1%)

7.124

10,9

-

16,2%

Aandelen Beleggen in oplossingen

3.122

8,9

-

(12,5%)

3.039

8,2

-

16,3%

Alternatieve aandelenstrategieën

20.507

12,9

-

(8,4%)

19.708

8,1

-

14,6%

Private equity

11.736

219,9

350,4

5,0%

10.848

202,9

327,6

21,8%

Beursgenoteerd vastgoed

11.976

8,1

-

(4,2%)

10.871

5,1

-

6,2%

Privaat vastgoed

12.423

121,1

8,4

10,1%

11.838

126,4

33,5

8,6%

Infrastructuur

7.456

38,3

(2,4)

8,8%

7.006

40,7

15,2

12,2%

Insurance

4.176

28,9

-

(3,1%)

3.641

31,1

-

(2,0%)

Overige zakelijke waarden

991

16,9

(0,8)

(12,2%)

1.232

18,8

5,9

1,2%

         

Grondstoffen

10.829

5,2

-

(17,8%)

8.102

3,9

-

7,3%

         

Krediet

26.328

47,2

-

0,2%

26.015

50,4

-

1,6%

Bedrijfsobligaties ontwikkelde markten

4.112

2,6

-

(1,3%)

4.563

2,7

-

2,4%

High Yield ontwikkelde markten

2.351

9,5

-

(4,9%)

3.718

13,8

-

4,8%

Bedrijfsobligaties en High Yield opkomende markten

3.914

4,2

-

(4,7%)

3.729

3,8

-

7,3%

Emerging Markets Debt Local Currency

9.247

14,7

-

(1,9%)

7.325

17,3

-

1,1%

Credit Risk Sharing

4.872

8,2

-

12,2%

5.523

7,6

-

(4,5%)

Hypotheken

1.832

8,0

-

1,6%

1.157

5,2

-

2,5%

         

Vastrentende waarden

60.103

10,3

-

4,3%

56.295

9,0

-

(4,0%)

Rente-afdekkingsmandaat

55.134

6,8

-

3.270

50.223

5,8

-

(2.056)

Leagacy Vastrentend en inflatie

4.186

0,8

-

(16,4%)

3.973

0,9

-

4,2%

Kas en overlay

783

2,7

-

 

2.099

2,3

-

 
         

Vergoeding uitvoeringsorganisatie

 

13

   

15

  
         

Doorbelaste algemene kosten

 

1

   

1

  
         

Totaal

200.759

551

356

(0,4%)

188.334

541

382

5,1%

         

Kosten in percentage gemiddeld belegd vermogen

 

0,275%

0,177%

  

0,287%

0,203%

 
  • 1 Het nettorendement is berekend op basis van een volledige afdekking van de zeven grootste ontwikkelde markten valutarisico’s. Bij de valuta overlay wordt het verschil tussen een volledige afdekking en de werkelijke afdekking van valutarisico’s gerapporteerd.

De in de tabel weergegeven bedragen onder het kopje 'beheervergoeding' zijn gebaseerd op geïnvesteerde en toegezegde bedragen. Hieronder vallen de vaste overeengekomen vergoedingen, bewaarloon en overige kosten. In sommige gevallen wordt een prestatieafhankelijke vergoeding afgesproken met externe vermogensbeheerders. Prestatieafhankelijke vergoedingen zijn afhankelijk gesteld van het rendement van de specifieke beleggingen.

De beheervergoeding daalde van 0,29% in 2017 naar 0,27% in 2018. De prestatieafhankelijke vergoeding laat een daling zien van 0,20% in 2017 naar 0,18% in 2018. Beleggingsbeleid en rendementen bepalen in hoge mate de hoogte van deze vergoedingen.

Beleggingsbeleid

Vijf aspecten van het beleggingsbeleid hebben invloed op de hoogte van de kosten van het vermogensbeheer:

  1. beleggingsmix

  2. schaalgrootte

  3. de mate van actief of passief beheer

  4. de mate van intern of extern beheer

  5. directe of indirecte belegging

In de besluitvorming over de beleggingsmix houdt PFZW rekening met de kosten, maar aanpassing van de beleggingsmix omwille van kostenverlaging is geen doel op zich. Het doel is de kosten van het vermogensbeheer te verminderen met behoud van het beoogde rendement. De kosten van het vermogensbeheer zijn binnen de beleggingsmix mede afhankelijk van de verdeling tussen private markten en publieke markten. Beleggingen op private markten maken, net als in 2017, ongeveer 22% van de beleggingsmix uit. De mutaties binnen de beleggingsmix hadden mede hierdoor in 2018 een beperkt effect op de hoogte van de kosten.

De private markten zijn verantwoordelijk voor 88% (2017: 88%) van alle kosten. PFZW is van mening dat de betere rendementsverwachtingen van private beleggingen opwegen tegen de hogere kosten. De private marktbeleggingen van PFZW leverden met een gemiddeld netto jaarrendement van 7,2% over de periode 2008 tot en met 2018 een hoger rendement dan de benchmark van publieke marktbeleggingen van PFZW, die gemiddeld netto 4,6% rendeerde.

De schaalgrootte is voor PFZW een gegeven en biedt voordelen. Vergelijkingen met Nederlandse peers met een minder groot belegd vermogen wijzen dan ook uit dat mede als gevolg van deze grotere schaalgrootte lagere kosten worden gerealiseerd.

Het aandeel indirecte beleggingen van PFZW zoals participaties in beleggingsfondsen  binnen de private markten is de afgelopen jaren gedaald. Beleggingen in beleggingsfondsstructuren zijn over het algemeen duurder en worden om deze reden waar mogelijk vermeden. Het aandeel directe beleggingen, zoals projecten met een of meerdere mede-investeerders, is binnen de private markten gestegen.

Kosten vermogensbeheer in relatie tot rendement

Het beoogde rendement moet in relatie staan tot de kosten van het vermogensbeheer. Het langjarige rendement is daarom van belang bij het beoordelen van het kostenniveau en de keuze van de beleggingsmix.

De volgende tabel laat de totale kosten van het vermogensbeheer tegenover het rendement zien. De netto-en brutorendementen per beleggingscategorie worden weergegeven in de toelichtende paragraaf Financieel rendement. De tabel laat zien dat het samengestelde rendement niet direct te koppelen is aan de totale prestatieafhankelijke vergoeding.

Totale kosten vermogensbeheer (excl. transactiekosten) in percentage van het gemiddeld belegd vermogen

     
 

2018

2017

2016

2015

2014

      

Totale kosten vermogensbeheer in %

0,45%

0,49%

0,46%

0,48%

0,54%

Waarvan prestatieafhankelijke vergoeding in %

0,18%

0,20%

0,16%

0,18%

0,22%

Netto rendement na kosten

(0,4%)

5,1%

12,0%

(0,1%)

15,5%

Benchmark rendement na kosten

(0,8%)

5,2%

11,6%

(1,1%)

15,2%

De hoogte van deze prestatieafhankelijke vergoeding hangt onder meer af van de verschillende performance fee structuren bij externe vermogensbeheerders. Bij beleggingen in private markten wordt de prestatieafhankelijke vergoeding in veel gevallen pas aan het eind van de looptijd daadwerkelijk betaald. Gedurende de looptijd maakt PFZW reserveringen voor de tot dat moment toe te rekenen prestatievergoeding. De hoogte van deze prestatieafhankelijke vergoeding is voor de gehele portefeuille in 2018, vergeleken met 2017, relatief gedaald ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen.

Rendementen, risico en kosten vermogensbeheer vormen een onlosmakelijk geheel. Het nettorendement van de beleggingscategorie private equity kwam over 2018 uit op 5,0%. Meerdere externe managers lieten een meerjarige performance boven de gemaakte afspraken over het minimaal vereiste rendement zien. Dit rendement leidt binnen private equity tot een hogere omvang van de prestatieafhankelijke vergoeding dan in 2017.

De afname van de prestatieafhankelijke vergoeding komt grotendeels voor rekening van privaat vastgoed en infrastructuur. Bij verschillende managers was in 2018 sprake van een lager rendement dan in 2017. Dit heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling van de reservering van de prestatieafhankelijke vergoeding bij deze managers.     

Transactiekosten

Transactiekosten vormen een aparte kostensoort. De omvang wordt bepaald door de aard en de omvang van de beleggingstransacties en beleggingscategorieën. Ongeveer 64% (2017: 65%) van de transactiekosten is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves. Bij de bepaling van de transactiekosten hanteert PFZW het ‘look through’-principe.

PFZW streeft naar het beperken van de transactiekosten. Om dit te realiseren wordt bij het herbalanceren van de portefeuille naar de strategische beleggingsmix, het aantal transacties zo veel mogelijk beperkt.

De transactiekosten bedroegen in 2018 € 171 miljoen, wat neerkomt op 0,09% van het gemiddeld belegd vermogen. In 2017 was dit € 194 miljoen en daarmee 0,10% van het gemiddeld belegd vermogen. De daling wordt vooral veroorzaakt door een lager transactievolume binnen de beleggingscategorieën aandelen en grondstoffen. Lagere transactievolumes en lagere spreads binnen het bouwblok vastrentende waarden droegen eveneens bij aan de daling. Binnen het bouwblok krediet was sprake van een hogere spread waardoor de transactiekosten zijn gestegen.

Transactiekosten per bouwblok

  

(bedragen x € 1 miljoen)

2018

2017

   

Zakelijke waarden

61,3

67,3

Grondstoffen

25,9

47,0

Krediet

35,2

14,5

Vastrentende waarden

48,3

65,2

Totale transactiekosten

170,7

194,0

PFZW onderscheidt binnen de transactiekosten drie categorieën:

  • in- en uitstapkosten bij beleggingsfondsen

  • aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels

  • acquisitiekosten

PFZW belegt voor een groot deel in beleggingsfondsen. Hierbij worden in- en uitstapkosten in rekening gebracht, daarnaast worden door deze beleggingsfondsen zelf transactiekosten gemaakt. Op basis van ‘look through’ en naar rato van de participatiegraad worden deze posten toegerekend.

De aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels bedroegen in 2018 € 132 miljoen (2017: € 155 miljoen). De daling werd vooral veroorzaakt door het lager verhandelde volume. Transactiekosten voor directe beleggingen in vastrentende waarden en derivaten worden geschat op basis van de zogenaamde spread, het verschil tussen de bied- en laatkoersen. PFZW maakt op basis van transactiekarakteristieken, zoals rating, looptijd, volume, regio en valutaparen, een best mogelijke inschatting van deze spread.

De acquisitiekosten bedroegen in 2018 net als in 2017 € 42 miljoen. Deze hebben betrekking op directe transacties in private markten. De kosten van adviseurs is een belangrijke component.

Kosten gerelateerd naar benchmark

De kosten voor pensioenbeheer worden vergeleken met de benchmark van Cost Effectiveness Measurement (CEM). PFZW onderscheidt zich mede door schaalvoordelen positief ten opzichte van deze benchmark. Per normverzekerde van PFZW lagen deze kosten in 2017 op € 69 en daarmee onder het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen (€ 108) en onder het wereldgemiddelde (€ 120). PFZW vindt het belangrijk om ook op de lange termijn een lager kostenniveau te houden dan de benchmark. Op het moment van publicatie van het jaarverslag zijn geen CEM-gegevens over 2018 beschikbaar.

PFZW doet mee aan de wereldwijde benchmarkvergelijking van Cost Effectiveness Measurement (CEM) voor vermogensbeheer. De peergroep waarmee PFZW voor het vermogensbeheer wordt vergeleken, bestaat uit internationale pensioenfondsen van vergelijkbare grootte, waarbij de opbouw van de beleggingsmix relatief meeweegt in de vergelijking van de kosten. De kosten van het vermogensbeheer van PFZW liggen volgens de laatst beschikbare CEM (2017) 0,8 basispunt boven de benchmark. Uit het rapport komt naar voren dat in vergelijking tot de peers hogere kosten aan de implementatie stijl zijn verbonden. In vergelijking tot de peers is de implementatie stijl minder passief en is het gebruik van externe fondsmanagers hoger binnen de private markten. Mede vanuit schaalvoordelen was het mogelijk lagere kosten voor diensten van externe vermogensbeheerders uit te onderhandelen.

Aansluiting naar de jaarrekening toelichtingen

Voor de presentatie van kosten in het bestuursverslag volgt PFZW de Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Voor de jaarrekening gelden de richtlijnen van de Raad voor de jaarverslaggeving. De jaarrekening bevat daarom alleen de kosten die direct bij PFZW in rekening zijn gebracht of nog worden gebracht. In de verantwoording door het bestuur worden ook de indirecte kosten meegenomen. De indirecte vermogensbeheer- en transactiekosten maken in de jaarrekening onderdeel uit van de waardeverandering van de beleggingen en hebben daardoor invloed op het behaalde rendement. Daarom zijn de totale kosten van het vermogensbeheer in de jaarrekening lager. Bovendien wordt expliciet onderscheid gemaakt tussen vermogensbeheerkosten en transactiekosten.

(bedragen x € 1 miljoen)

Vermogens-
gerelateerd)
gerelateerd)
(excl. Performance

Performance
gerelateerde
vergoedingen

Transactie-
kosten

Totaal

     

Beheervergoedingen

(58,8)

3,8

-

(55,0)

Bewaarloon

2,7

-

-

2,7

Overige kosten

4,9

-

-

4,9

     

Directe kosten, opgenomen in de jaarrekening

(51,2)

3,8

-

(47,4)

Indirecte kosten, onderdeel van de

    

waardeveranderingen van beleggingen

602,3

352,5

170,7

1.125,4

     

Totale vermogensbeheerkosten en transactiekosten

551,1

356,3

170,7

1.078,1